Niets te dichtbij laten komen

Drie kameraden overleven het slagveld. Doorleven kan niet meer zonder veel drank en cynisme. Erich Maria Remarque schreef er een sterke roman over, met af en toe een onmisbare druppel kitsch.

Erich Maria Remarque: Drie kameraden. Op basis van de oorspronkelijke vertaling van Nico Rost. Vorroux, 637 blz. € 24,–

Erich Maria Remarque (schrijversnaam van Erich Paul Remark, 1898-1970) is vooral bekend van de roman Van het westelijk front geen nieuws, die hij op zijn ervaringen als Duits frontsoldaat in WO I baseerde. Samen met Het vuur van Henri Barbusse en Dat hebben we gehad van Robert Graves vormt het een wrang literair hoogtepunt, voortgekomen uit een historisch dieptepunt.

Im Westen nichts Neues verscheen in 1929, werd meteen vertaald en groeide uit tot een internationale bestseller. Een boek dat de waanzin van de oorlog aan de kaak stelde, zinde de nazi’s uiteraard niet, en na Hitlers machtsovername belandde het op de brandstapel. Remarque leefde inmiddels in het buitenland, waar hij vrijelijk bleef publiceren. In 1937 verscheen zijn derde roman, Drei Kameraden, die nog hetzelfde jaar vertaald werd door Nico Rost. Deze oude vertaling is nu grondig bewerkt: dat leverde soepel Nederlands op, helaas met kleine slordigheden.

Het verhaal speelt zich omstreeks 1928 in Berlijn af. Drie vrienden hebben de loopgraven overleefd. De verteller, de 30-jarige Robert Lohkamp, heeft sindsdien allerlei baantjes gehad – spoorwegarbeider, reclamechef, barpianist. De charmante druktemaker Godfried Lenz grossiert in oneliners (‘Principes moet je overtreden, anders heb je er geen plezier van’) en Otto Köster, die het in het leger tot compagniecommandant schopte, is het type van de zwijgzame held. Gedrieën werken ze als autoreparateur in de garage die Kösters eigendom is.

Hoewel scènes van het slagveld in dit boek tot een minimum beperkt blijven, is Remarque erin geslaagd uiterst beklemmend voelbaar te maken hoe de drie kameraden door hun militaire ervaringen getekend zijn. De dood is als onderstroom voortdurend aanwezig in hun bestaan. Van alle illusies zijn ze beroofd, ze leven bij de dag. Drank, veel drank, helpt daarbij. Soms realiseren ze zich met een schok wat een wonder het is dat het lot hen gespaard heeft; in feite leven ze in toegevoegde tijd. Daar moet dan op gedronken worden.

Wat deze kerels redt van het cynisme is hun onvoorwaardelijke kameraadschap. Onder hun ruwe manier van doen en plagerige grappen gaat een grote tederheid schuil, opofferingsgezindheid zelfs. De stijl van Remarque past perfect bij deze personages. Het is een ongekunstelde, soldateske stijl die uiterst doeltreffend is: ‘Ik haat mensen die een slappe hand geven, alsof ze je een dooie vis toesteken.’ ‘Een oude slaperige kelner bediende. Op zijn jasje kon je het menu van de hele week lezen.’

Om te voorkomen dat deze eenvoudige, korte zinnen eentonig worden, schiet Remarque geregeld de lichtkogel van een lyrische volzin af, die vaak betrekking heeft op de schoonheid van de natuur of op het avontuurlijke van autorijden: ‘De lichten [van de koplampen] joegen lang gestrekt als bleke bloedhonden voor ons uit en rukten een sidderende berkenlaan uit het donker, een rij populieren, scheef staande telegraafpalen, in elkaar gedoken huizen en de zwijgende parade van bosranden.’

Door de economische crisis – de kranten staan vol van faillissementen, werkloosheid, zelfmoorden, en de nationalisten spinnen garen bij de politieke onrust – is het leven moeilijk, maar de kameraden zijn gehard en hebben niet veel nodig. Dat verandert wanneer Robert verliefd wordt op Patrice, een elegant, frêle meisje met koortsachtig glanzende ogen. Hij vecht aanvankelijk tegen zijn gevoelens, overeenkomstig de levensfilosofie van de oudgedienden: ‘Vooral niets te dichtbij laten komen, zei Köster. Wat te dichtbij komt, willen we vasthouden en vasthouden kunnen we niets.’ Aan de andere kant: ‘Zonder liefde ben je toch eigenlijk ook maar een lijk met verlof...’ en dus begint Robby een serieuze relatie met Pat.

Er lijkt een gelukkige tijd aan te breken, maar hij heeft nu iets te verliezen en dat zal hij weten ook. Pat blijkt ernstig ziek, het is noodzakelijk dat ze gaat kuren in een sanatorium in de bergen, wat de reeds bestaande geldproblemen verergert. Het verhaal eindigt in de mysterieuze sfeer van het sanatorium, die er overigens geen twijfel over laat bestaan dat Remarque De toverberg van Thomas Mann heeft gelezen.

Drie kameraden is een ijzersterke roman. Het enige wat je erop zou kunnen aanmerken is dat Remarque een geslepen sentimentalist is – vandaar waarschijnlijk dat Hollywood onmiddellijk de mogelijkheden van zijn werk zag. Dat sentimentalisme zit niet in de verteltoon, die integendeel verrukkelijk laconiek is, maar in de karaktertekening. Zo is de edele inborst van de vrienden zwaar aangezet. Ze gaan niet alleen voor elkaar door het vuur, maar komen steeds op voor de verworpenen der aarde omdat ze, niettegenstaande hun herhaaldelijk beleden nihilisme, geen onrecht kunnen zien. Ook in enkele scènes aan het slot mag je wel van effectbejag spreken. Daar staat tegenover dat kunst, zoals de Oostenrijkse schrijver Hermann Broch heeft opgemerkt, het nooit zonder een druppeltje effect, zonder een druppeltje kitsch kan stellen. Het sentimentalisme van Remarque is dat van een groot schrijver, zoals Charles Dickens. Houd uw zakdoek paraat.