Markt kan honger niet stillen

Het is een vergissing te menen dat de markt de mondiale voedselcrisis wel zal oplossen. Economische wetten gelden niet in de wereld van de landbouw, betoogt Ban Ki Moon.

Vorige week was er een sprankje hoop in de wereldvoedselcrisis. In de verwachting van een recordoogst versoepelde Oekraïne zijn uitvoerbeperkingen. Van de ene dag op de andere daalden de tarweprijzen op de wereldmarkt met 10 procent.

Daarentegen liggen volgens handelaren in Bangkok de rijstprijzen rond 1000 dollar per ton, terwijl deze twee maanden geleden nog op 460 dollar lagen.

Zo wisselvallig zijn de huidige markten. We weten niet hoe hoog de voedselprijzen nog zouden kunnen worden of hoe ver ze zouden kunnen dalen. Maar één ding is zeker: we zijn van een tijd van overvloed in een tijd van schaarste beland. Deskundigen zijn het erover eens dat de voedselprijzen waarschijnlijk voorlopig niet zullen terugkeren op het peil waaraan de wereld gewend was geraakt.

Zelfs in de rijke Europese landen en de Verenigde Staten mopperen de consumenten. Maar denk u de situatie eens in van degenen die van minder dan een dollar per dag leven – de ‘onderste miljard’, de armsten van de armen op de wereld. De meesten wonen in Afrika, en voor velen van hen is het normaal dat ze tweederde van hun inkomen aan voedsel besteden. In Liberia hoorde ik vorige week dat mensen de ingevoerde rijst niet meer per zak kopen. In plaats daarvan kopen ze die steeds vaker per kop, want meer kunnen ze zich niet veroorloven. We doen er goed aan te bedenken dat de chaos waarin Liberia is afgegleden in 1979 begon met voedselrellen.

In Ivoorkust toonden de politieke leiders zich ongerust dat de crisis de pogingen zou kunnen ondermijnen om een echte democratie te vestigen – juist nu ze na tien jaar inspanning zo dicht bij succes zijn.

In Burkina Faso hoorde ik van president Blaise Compaoré hoe wanhopig zijn land hulp nodig heeft. De helft van de bevolking, voor het overgrote deel kleine boeren, leeft van minder dan een dollar per dag. Vooral minister Djibril Bassolé van Buitenlandse Zaken drukte zich krachtig uit. Volgens hem is de voedselcrisis is een veel grotere dreiging dan het terrorisme. „Mensen gaan erdoor twijfelen aan hun waardigheid als mens”, zei hij. En: „Vraagstukken als honger en hoe te leven en te overleven zijn brandende kwesties voor de internationale gemeenschap geworden.”

Het is misschien verleidelijk om de markten hun magische werk te laten doen. Als de prijzen omhoog gaan, zo luidt de gedachte, zal ook het aanbod stijgen. Maar we leven in de echte wereld, niet in de wereld van de economische theorie. In de Grote Afrikaanse Slenk van Kenia, de broodmand van Oost-Afrika, poten de boeren maar een derde van wat ze vorig jaar pootten. Waarom, als je toch zou denken dat hogere prijzen hen zouden aanzetten om meer te poten? Omdat ze zich de meststof niet kunnen veroorloven, want die schiet ook in prijs omhoog. Hetzelfde zien we in Mali, Laos en Ethiopië. Dit is een recept voor rampspoed.

Eerder deze week belegde ik in Bern een bijeenkomst van de leiders van de VN-agentschappen en van de voornaamste multilaterale hulp- en ontwikkelingsorganisaties. We hebben overeenstemming bereikt over een dringend actieplan.

De eerste noodzaak is het voeden van de hongerigen. Het Wereldvoedselprogramma helpt 73 miljoen mensen. Maar hiertoe heeft het alleen al 755 miljoen dollar extra nodig om de stijgende kosten te dekken. Zo’n 475 miljoen daarvan is toegezegd. Maar beloften vullen geen magen en het agentschap heeft maar 18 miljoen in kas.

We kunnen ons niet veroorloven in de crisis verstrikt te blijven. Om voedsel voor morgen te waarborgen, moeten we vandaag handelen en kleine boeren de benodigde steun geven om hun volgende oogst te verbeteren. Daarom heeft de Organisatie voor Voedsel en Landbouw verzocht om 1,7 miljard dollar ter ondersteuning van een noodplan om arme landen te voorzien van de zaden, meststof en andere landbouwmiddelen die nodig zijn om de productie op te voeren. Het Internationale Fonds voor Landbouwontwikkeling zal 200 miljoen dollar ter beschikking stellen van de arme boeren in de meest getroffen landen. De Wereldbank overweegt met dit doel een fonds in te stellen om mondiaal op crises te kunnen reageren.

Om dit werk te coördineren, zal ik een VN-Werkgroep Wereldvoedselcrisis oprichten en voorzitten. Ik zal alles in het werk stellen om de politieke wil te mobiliseren in de juli-vergadering van de G8 in Japan en de FAO-topconferentie over de waarborging van voedsel begin juni in Rome.

We kunnen deze crisis het hoofd bieden. We hebben de middelen. We weten wat ons te doen staat. We zouden dit niet alleen als een probleem maar ook als een kans moeten beschouwen.

Het is een enorme kans om iets te doen aan de wezenlijke problemen van veel van de armsten op de wereld, van wie 70 procent als kleine boeren leeft. Als we hen helpen – als we hulp bieden en de juiste combinatie van deugdelijke lokale en internationale maatregelen nemen – zal de oplossing zeker komen.

Mijn reis door West-Afrika gaf me goede redenen voor optimisme. In Burkina Faso zag ik een regering werken aan de import van droogtebestendige zaden en een beter beheer van de schaarse watervoorraad, geholpen door landen als Brazilië. In Ivoorkust zagen we een met VN-fondsen opgezette kippenfarm, gedreven door een vrouwencoöperatie. Het project genereerde inkomen – en voedsel – voor dorpelingen op manieren die gemakkelijk te kopiëren zijn.

Elders zag ik met VN-hulp de lokale landbouwproductie langzaam worden uitgebreid, ook door een groep vrouwen. Binnenkort zullen zij de rijst van het Wereldvoedselprogramma vervangen door hun oogst van eigen grond, genoeg om te voorzien in de behoeften van hun schoolvoedingsprogramma.

Deze zijn fundamentele oplossingen voor fundamentele problemen van eigen bodem – precies het soort oplossingen dat Afrika nodig heeft.

Op bezoek bij een basisschool in aanbouw in Ouagadougou vertelde ik de kinderen hoe ik ben opgegroeid: zonder muren, met alleen de kale grond om op te zitten. Ik vertelde hun van de honger die ik als jongen heb gekend – nauwelijks genoeg te eten, terwijl mijn eigen grootouders en andere oude mensen moesten schooien om eten en zuigelingen amper genoeg kregen om te groeien.

Op reis in Afrika denk ik terug aan deze beelden en sta stil bij de rijkdom aan middelen van dit continent en bij de kracht en moed van zijn bevolking die ik zo duidelijk zag in de steden die ik bezocht. Als mijn land een trauma te boven kon komen en een economische macht kon worden, dan weet ik dat Afrika dit ook kan.

De enige vereiste is dat wij helpen. Om te beginnen door de harde maatregelen te treffen waarmee we een afdoende antwoord op de voedselcrisis kunnen geven.

Ban Ki Moon is Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

Lees meer over stijgende voedselprijzen op nrc.nl/Voedselprijzen