Luftwaffe-officier was verzot op ‘verboden’ jazz

Oberleutnant bij de Luftwaffe Dietrich Schulz-Köhn schreef in 1943 het artikel Brief aus Holland, waarin hij vol lof was over de jazz- en swingprestaties van Nederlandse amusementsmusici.

Dr. Dietrich Schulz-Köhn was Oberleutnant bij de Luftwaffe. Een gehoorzaam militair, die al in het najaar van 1933 – zonder enige verplichting of dwang – was toegetreden tot de SA, de stormtroepen van de nazipartij. Ook meldde hij zich in 1937 vrijwillig voor de officiersopleiding. Hij mocht als brildrager weliswaar niet vliegen, wel was hij verantwoordelijk voor de bewaking van de militaire vliegvelden. En ook verder gedroeg hij zich als een voorbeeldig dienaar van de Führer.

Op één uitzondering na. Schulz-Köhn was al sinds de jaren dertig verzot op jazz en swing, de muziek die door zijn superieuren als Entartete Musik werd beschouwd. Hij droeg die liefde zelfs openlijk en unverfroren uit in een reeks jazzkronieken in zijn gestencilde blaadje Mitteilungen, dat in een oplage van enige honderden exemplaren werd verspreid onder militairen, ook aan het oostfront.

Bij zijn voorwoord in het eerste nummer stond niet alleen zijn naam, maar ook zijn rang en zijn portret, waarop Schulz-Köhn staat afgebeeld in uniform met hoge pet en adelaarsinsigne. Hij heeft daar, voor zover bekend, nooit problemen mee gehad. Maar subversief was zijn betoog wel.

Schulz-Köhn kon deze jazzberichten samenstellen, schreef hij, „omdat het mij vergund is rond te reizen in alle delen van de westelijke bezette gebieden en ik op grond van mijn beroep ook catalogi, artikelen en brieven uit overige landen – Zweden en Zwitserland – ontvang en in Amsterdam, Brussel en Parijs met directeuren, vaklieden, musici en bewonderaars van deze muziek samenkom.”

De daaropvolgende passage is weinig minder dan een gotspe: „Wat de stof, de inhoud van de Mitteilungen betreft, kan men zich afvragen of het toelaatbaar is daarin over swingmuziek en hot-muziek te spreken. Daarbij zou ik graag vaststellen dat deze vraag alleen in de Heimat is opgekomen. Van de fronten zijn nimmer aanwijzingen van ook maar de geringste bedenking gekomen, want de soldaten horen de moderne dansmuziek hetzij in natura of via de soldatenzender.” Wat in die Heimat slechts clandestien kon worden beluisterd, werd dus volop toegestaan aan de mannen van Luftwaffe en Wehrmacht in de bezette gebieden. Daarin had de Oberleutnant trouwens groot gelijk. Maar dat hij die dubbele moraal als een realiteit in zijn voordeel gebruikte, is verbazingwekkend.

„De man had iets heel tegenstrijdigs, maar voelde zich blijkbaar onkwetsbaar”, zegt Bert Vuijsje, redacteur van het Jazz Bulletin van het Nederlands Jazz Archief, dat deze maand de primeur heeft van een artikel van Schulz-Köhn in Nederlandse vertaling. Het betreft ’s mans Brief aus Holland, waarschijnlijk uit juni 1943, waarin uitvoerige lof wordt toegezwaaid aan de jazz- en swingprestaties van Nederlandse musici als de Ramblers en de orkesten van Ernst van ’t Hoff, Boyd Bachman, Dick Willebrandts („ongetwijfeld het beste Hollandse orkest, en een van de beste op het continent”), Piet van Dijk en Frans Wouters. „Nergens anders heb ik op zo’n kleine ruimte zo veel en zo veel goede orkesten aangetroffen”, schrijft de hoge officier. Terwijl al die orkesten angstvallig hun best deden met vernederlandste benamingen aan de Duitse reglementen te voldoen, noemt Schulz-Köhn de nummers vrijuit bij hun originele, Amerikaanse titels. Ook prijst hij allerlei Amerikaanse invloeden die juist apert in strijd met de voorschriften waren: „de stijl geheel à la Glenn Miller” en „twee jongens met een gitaar die sterk aan de Mills Brothers deden denken.” Geen enkel Nederlands periodiek zou destijds zulke complimenten hebben kunnen afdrukken.

Eind 1944 werd de Oberleutnant nabij St. Nazaire, in Bretagne, gevangen genomen door het Amerikaanse leger. In de naoorlogse jaren werd hij in Duitsland een gerenommeerd jazzdocent en redacteur van jazzprogramma’s voor de WDR. Hij stierf in 1999. Zodra iemand over zijn oorlogsverleden begon, haalde Schulz-Köhn een foto tevoorschijn die hij altijd bij zich droeg. Daarop stond hij samen met zigeunergitarist Django Reinhardt, diens zwarte begeleiders en een joodse onderduiker.

Het kiekje was in het najaar van 1942 in Parijs op zijn verzoek gemaakt door een Duitse soldaat die toevallig voorbijliep. „Hier sta ik met een zigeuner, vier negers en een jood”, zei hij dan.