Liedjesboer

Maarten van Roozendaal wordt gemakshalve nog wel eens bij het cabaret ingedeeld, maar daar hoort hij eigenlijk niet. Zelf vindt hij dat ook, hij noemt zich liever een ‘liedjesboer’. Een cabaretier moet het in de eerste plaats van gesproken tekst hebben, en daar ligt niet zijn grootste kracht.

Laat Van Roozendaal vooral zingen, dáár hoort een mens pas van op. Hij is een zanger in de sterke traditie van artiesten als Randy Newman, Jacques Brel, Loudon Wainwright, Johnny Cash, de vroege Tom Waits en vooral Bram Vermeulen, zijn grote voorganger in de Lage Landen. Vermeulen was ook nooit helemaal op zijn gemak als hij zijn publiek puur met gesproken woord moest onderhouden; hij deed dat gelukkig ook steeds minder. Hij was geen Freek de Jonge, hij was Bram Vermeulen.

Ook in het nieuwe programma Het Wilde Westen van Maarten van Roozendaal, dat ik gisteravond in een uitverkochte De Kleine Komedie in Amsterdam zag, zijn het niet de verbindende teksten, maar de liedjes die je soms naar de keel grijpen. Als hij zingt over een liefde die allang over haar hoogtepunt heen is, over een kroegbaas die ten grave wordt gedragen of over een jongetje dat als ‘hond’ een rat had, is hij op zijn best.

Die ietwat obligate verbindende teksten over de feilen van de westerse beschaving neem ik dan graag op de koop toe. ‘Liedjesboeren’ hoeven voor mij geen rode draden door hun voorstelling te weven. De voorstelling wordt er misschien wel chiquer, maar niet levendiger door. Ze moeten zingen, het ene na het andere prachtnummer, tot de zaal wordt opgetild naar de hemel van de euforie, waarin de toehoorders zich lotsverbonden voelen, ook al kennen ze elkaar niet.

Dat gevoel heb ik bij al die bovengenoemde artiesten wel gehad (Brel ken ik alleen van tv-optredens), en ook bij Van Roozendaal, van wie ik een jaar of vier geleden een schitterend optreden zag in De Roode Bioscoop, een piepklein theater op het Haarlemmerplein in Amsterdam. Daar gaf hij zijn publiek het gevoel dat hij nog maar één avond te leven had, en dat hij die avond graag met ons wilde delen.

De zaal moet, als het helemaal goed is, ‘dampen’. Dat miste ik gisteravond een beetje. Het was keurig en gaaf, maar net niet meeslepend genoeg. We moesten, zoals gezegd, ons hoofd nogal bij dat Wilde Westen houden (wat bedoelt de zanger in dit verband precies met elk liedje?). Van Roozendaal was minder goed bij stem dan ik van hem gewend was – er zat een wel heel stevige ‘braam’ op – en de duur van het programma had iets zuinigs: zeventig minuten en geen toegift.

Zeventig minuten, dat is te weinig om een zaal in lichterlaaie te zetten. Ik zou zeggen bij zo’n goede artiest als Maarten van Roozendaal: ten minste honderd minuten. In het laatste halfuur worden wij dan in onze stoeltjes helemaal klem gezongen, die grofkorrelige stem jaagt de ene na de andere sterke melodie door ons hoofd, zijn woorden dwingen ons het voornemen af om vanaf morgen heel anders in het leven te staan, kortom, de zanger bejegent ons als een liefde die hij voor eens en voor altijd wil veroveren.

Het publiek is een veeleisend monster, ik weet het, maar je kunt het als artiest ook als een compliment opvatten als dat monster zegt: méér, Maarten, méér.