Koranlezen doe je zó

In zijn Koranbewerking probeert Kader Abdolah didactiek en soefisme te mengen. Het levert een danig verpolderde Mohammed op.

Kader Abdolah: De Koran, een vertaling en De boodschapper, een vertelling.De Geus, 382 blz., € 39,90

Mahmoud Hussein: Al-Sîra. De verhalen over Mohammed in Mekka. Bulaaq, 478 blz., € 29,50

Maxime Rodinson: Mohammed: Een biografie.Vertaling Vreni Obrecht. Bulaaq, 368 blz., €19,95

Enige ironie spreekt er wel uit: Kader Abdolah, een zelfverklaard marxistisch atheïst die in de jaren tachtig uit de islamitische republiek Iran naar Nederland is gevlucht, voelt zich door de gebeurtenissen rond 11 september en door de overspannen Nederlandse islamdiscussie gedwongen om zich uit te spreken over wat er mooi en waardevol is aan de islamitische traditie. Het resultaat van deze ironie is een tweeluik, bestaande uit een vrijzinnige en bekorte vertaling van de Koran, en uit een geromantiseerde biografie van de profeet. Die biografie laat Abdolah door Mohammeds adoptiefzoon en biograaf Zeeëd van buitenaf reconstrueren in gesprekken met diverse voor- en tegenstanders.

Een Reader’s Digest-versie van de Koran, die met dichterlijke vrijheid is vervaardigd – het klinkt gewaagd. Maar omdat de Koran volgens gelovigen (en ook volgens menig islamwetenschapper) onvertaalbaar is, is elke vertaling in feite al een interpretatie ervan. Abdolahs interpretatie wijkt echter op enkele punten duidelijk af van gangbaarder versies. Om te beginnen rangschikt hij de soera’s of hoofdstukken van de Koran niet op de kanonieke manier, maar in de volgorde waarin ze volgens islamitische en andere geleerden vermoedelijk aan Mohammed zijn geopenbaard. Zo maakt hij ook de stilistische en inhoudelijke ontwikkeling van de openbaringen zichtbaar. De vroegste soera’s, die Mohammed volgens de overlevering in Mekka heeft ontvangen, zijn poëtisch, algemeen, en soms duister; ze roepen de mensen dikwijls op om niet op hun macht of rijkdom te pochen of vertrouwen, en de goddelijke almacht te vrezen. De latere verzen, geopenbaard toen Mohammed in Medina de wereldse macht had verworven, zijn vaak concreter en ‘wereldser’: ze vaardigen specifiek geboden en verboden uit, of ze roepen op tot strijd.

Een ander kenmerk van Abdolahs visie is dat hij, in strijd met de traditie, er van uitgaat dat Mohammed wel degelijk kon lezen en schrijven. In geheel multiculturele stijl betoogt hij voorts dat de profeet vooral tot zijn werk kwam door contact met andere culturen en beschavingen, en met name door het lezen van andermans (heilige) boeken. Met andere woorden, Abdolahs Mohammed is geen profeet die religieuze openbaringen ontvangt, maar eerder een schrijver die naar inspiratie zoekt.

Deze geseculariseerde visie beheerst Abdolahs visie op leven en werk van de profeet. Zo wordt zijn Mohammed een strijder tegen maatschappelijke ongelijkheid, slavernij en corruptie, die in zijn jeugdjaren ook aan clandestiene jongerenorganisaties deelneemt. Ik denk dat je niet te ver gaat als je hier sporen ontwaart van Abdolahs eigen activistische jeugd, en met name van de visie van Ali Sjariati, die een immense invloed heeft gehad op de generatie Iraanse jongeren (waartoe ook Abdolah behoort) die de Iraanse revolutie van 1979 heeft gedragen, en die meer met Marx dan met Mohammed bezig was. Volgens Sjariati is de Iraans-sji’itische Islam een progressieve en zelfs revolutionaire religie, en is Mohammeds neef, de door sji’ieten verheerlijkte imam Ali, een volmaakt mens die in zich existentialistische filosofen als Sartre, revolutionairen als Che Guevara en mystici als Hallaadj verenigt.

Je hoort duidelijke echo’s van deze visie in Abdolahs verhaal. Bij hem is het specifiek sji’itische element weliswaar grotendeels afwezig, maar zijn Islam is wel duidelijk Iraans. Dat blijkt alleen al uit het feit dat hij Arabische woorden in een zelfverzonnen Perzische transcriptie weergeeft. Zo wordt de veelgehoorde frase bismillah al-rahman al-rahim, die vrome moslims prevelen bij het aanvangen van een examen of het starten van hun auto, bij hem tot besmellahe rahmane rahim. Gewoonlijk wordt deze spreuk vertaald als ‘in de naam van God de genadige en barmhartige,’ maar Abdolah maakt ervan: ‘in de naam van Allah/Hij is lief/Hij geeft/Hij vergeeft.’ Die weergave, en met name dat lief, lijkt gewaagd en eigenzinnig, om niet te zeggen ronduit ketters, en de jeremiades over de gevaren die Abdolah er wel niet mee zou lopen waren niet van de lucht; maar in feite sluit hij ermee aan op een lange traditie. Dat is natuurlijk de traditie van het soefisme, ofwel de islamitische mystiek, waarin God tegelijkertijd als liefhebbend en als geliefde wordt voorgesteld. Bij de beroemdste soefi’s moet zelfs de angst voor de hel en de hoop op het paradijs plaatsmaken voor de volmaakte en belangeloze liefde (hoebb) tot God.

Vervolg op pagina 2

Abdolahs Islam is Wolkers’ Christendom

Vervolg van pagina 1

Ook Abdolah verklaart dat zijn eigen vertaal- en vertelwerk hier gedreven is door liefde. Zo zoekt hij overduidelijk aansluiting bij de Perzische literaire traditie van dichters als Roemi, Hafez en Nizami, die diepgaand door het soefisme met zijn beeldspraak van wijn, licht en liefde is beïnvloed. De beroemdste basis van die traditie is wel het zogeheten Lichtvers (soera 24.35), dat aanleiding heeft gegeven tot talloze, naar ons idee soms buitengewoon gewaagde, figuurlijke duidingen, en dat voor de islamitische mystiek en literatuur van een immens belang is geweest. Het is beslist geen toeval dat dit Lichtvers ook de inscriptie is in het Koranexemplaar van Abdolahs vader. (zie inzet)

Met andere woorden: Abdolahs ambities zijn niet zozeer maatschappelijk, politiek of religieus van aard, maar zuiver literair. Zijn vertaalwerk drukt een soortgelijke verhouding tot de islam uit als je bij bijvoorbeeld Jan Wolkers of Maarten ’t Hart vindt ten aanzien van het protestantse Christendom. Allen zijn in hun jeugd afgevallen van het geloof der vaderen en tot verklaard atheïst geworden. En al uiten ze felle kritiek op religieuze gezagsdragers die menen zich met andermans leven te mogen bemoeien, toch hebben ze allemaal een blijvende liefde voor de beelden en verhalen die in de traditie zijn vervat. Zelf omschrijft Abdolah de taal van de Koran als ‘goddelijk proza’: voor hem is de veelgeroemde onimiteerbaarheid van de Korantaal geen teken van een goddelijke oorsprong, maar een literair wonder. Zijn literaire insteek is duidelijk: de inlijving van de Koran en het leven van de profeet bij de Nederlandse literatuur, en daarmee bij het Nederlandse culturele erfgoed.

De Koran als literaire tekst, die literaire interpretatie behoeft: het is een lot dat eerder de Bijbel heeft ondergaan. Maar ook dit is minder gewaagd dan het lijkt: hele generaties moslims waarderen de Koran als een tekst die traag gereciteerd wordt, waarbij de rijke beeldspraak en de talrijke herhalingen een overweldigend emotioneel effect op de hoorder kunnen hebben. Overigens gaat dit literaire effect grotendeels verloren in Abdolahs ingekorte vertaling, die juist de herhalingen weglaat.

Ook duidt, opmerkelijk genoeg, de Korantekst zelf al aan dat interpretatiewerk nodig is. Zo staat in soera 3.7: ‘Hij is het die tot jou het boek heeft neergezonden; een deel ervan bestaat uit eenduidige tekenen – zij zijn de grondslag van het boek – en een ander deel uit meerduidige... Maar de verklaring ervan kent niemand behalve God en zij die een diepgewortelde kennis hebben.’ De vraag is dan natuurlijk welke verzen eenduidig (moehkam) zijn, en welke meerduidig (moetasjaabih). De Koran zelf geeft dat doorgaans niet aan. Een plaats waar dat wel gebeurt is de beroemde Lichtsoera, het naar het Lichtvers genoemde hoofdstuk waarin ondubbelzinnig de straffen op overspel en het valselijk iemand van overspel beschuldigen staan uitgespeld. Vandaag de dag is het onderscheid tussen eenduidige en meerduidige verzen van cruciaal belang, niet alleen voor Abdolahs eigen Koranuitleg, maar algemener voor hedendaagse pogingen om de islam opnieuw te definieren. Dat maakt het des te verbazingwekkender dat hij soera 3.7, helemaal uit zijn vertaling heeft weggelaten.

Wat verder opvalt als je Abdolahs vertaling leest, is hoe zelden de Koran eigenlijk gewag maakt van ongelovigen, en hoeveel vaker christenen en joden worden aangemerkt als ‘volken van het boek’, die een deel van de enige ware, monotheïstische openbaring hebben ontvangen. Bovendien wordt binnen deze volken nog een onderscheid gemaakt tussen gelovigen en ongelovigen. De ongelovige joden zijn blijkbaar degenen die de Torah, ofwel hun eigen openbaring, hebben afgewezen, of zoals soera 62.5 het in Abdolahs vertaling plastisch uitdrukt: ‘het verhaal van hen aan wie de Tora is gegeven en van hen die haar niet naleven, is gelijk aan het verhaal van een ezel die boeken draagt.’ Overigens voegt Abdolah hieraan toe: ‘De ezel weet ook niet wat hij draagt,’ wat niet in de Korantekst staat maar het punt van vergelijking verduidelijkt. Misschien probeert hij hier en elders iets te hard om de suggestieve kracht van de oorspronkelijke beeldspraak weg te nemen. Dit vers kan echter evengoed uitdrukken dat de Torah slechts als een zware last wordt ervaren door ongelovige dragers, die er de zin en waarde niet van begrijpen.

Abdolahs levensverhaal van de profeet heeft, behalve zijn literaire vormgeving, niet veel nieuws te bieden ten opzichte van de al bestaande en in het Nederlands beschikbare biografieën, zoals Tariq Ramadans vrome hagiografie en Maxime Rodinsons klassieke, onlangs opnieuw in vertaling uitgegeven, meer politieke levensbeschrijving. Wie werkelijk iets nieuws wil leren over het ontstaan van de Koran, en een duidelijker indruk van het klimaat waarin Mohammed leefde, kan nu terecht bij Al-Sîra, een uitvoerige selectie uit de vroegste islamitische historische bronnen, gemaakt door Mahmoud Hussein, een pseudoniem van twee linkse (en eveneens seculiere) dissidente Egyptenaren. Anders dan meer hagiografische portretten schuwen deze auteurs ook niet om de minder aangename dingen uit de antieke bronnen te vermelden.

Abdolahs verhaal steekt wat flets af tegenover zulke antieke bronnen. Ook is zijn beschrijving soms wel erg anachronistisch: zoals Rodinsons Mohammed bij tijd en wijle wel erg op een Parijse rive gauche-aktivist lijkt, zo lijkt Abdolahs profeet vooral op een Overijsselse familievader met een kantoorbaan. Mohammeds Mekka, een plek die hij kent ‘als zijn broekzak’,is hier meer een polderprovincie dan een woestijnstad. Het enige wat eraan ontbreekt is dat Abdolah de profeet laat rondbewegen op een fiets.

Abdolah vervalt dus niet zozeer in stereotiepe oriëntalistische voorstellingen over het mysterieuze oosten vol geurige bazaars, sensuele vrouwen en spirituele mannen; wat opvalt is vooral hoe oer-Nederlands zijn Mohammed is geworden. In zijn Koranvertaling wordt die vernederlandsing of inpoldering van de islam zichtbaar door de figuurtjes van tulpen, klompen en regenbuien tussen de soera’s; in De boodschapper wordt de profeet geplaatst in een milieu dat sterk lijkt op het moderne, multiculturele Nederland, inclusief de bedrijfscultuur en gezinsverhoudingen. Zo ontvangt Mohammed hier zijn eerste openbaring na een echtelijke ruzie met zijn vrouw Ghadiedja.

Het is de vraag of Abdolah hier niet het religieuze en mystieke kindje met het polderwater wegpompt. Juist omdat hij zo vervuld is van zijn didactische missie de politieke carrière van de profeet te schetsen, verdwijnt het aspect van mystieke liefde en van de profeet als spiritueel wezen teveel naar de achtergrond.

Anderzijds: Abdolah mag dan niet helemaal geslaagd zijn in zijn poging om Islam, God en profeet als bron en object van liefde op een literair overtuigende manier gestalte te geven, hij maakt wel de weg vrij voor zo’n onderneming. Of om het met een profetisch beeld uit te drukken: ook Mozes wees de weg naar het beloofde land zonder er zelf binnen te kunnen treden.