Ik zeg nooit dat ik heb gewonnen

René Craemer (60) is hoofdofficier van justitie van het Openbaar Ministerie.

Elke vrijdag een gesprek over hoe iemand zich ontspant en weer oplaadt.

Hoofdofficier van justitie René Craemer (60) geeft leiding aan het ‘functioneel parket’ van het Openbaar Ministerie. Het functioneel parket (FP) is vijf jaar geleden opgericht en vervolgt grote, landelijke misdrijven die worden aangedragen door de bijzondere opsporingsdiensten: financieel-economische fraude en milieuzaken. Omdat de hoofdofficier van justitie niet mag ingaan op lopende zaken beginnen we dit artikel met een krantenbericht dat daags na het interview verscheen. ‘Joop van den Ende stapt uit vastgoed’, berichtte de Volkskrant die dag groot op de voorpagina:

‘Joop van den Ende trekt zich per direct terug uit het gros van zijn vastgoedprojecten. Reden is het strafrechtelijk onderzoek wegens vastgoedfraude bij twee commissarissen van zijn vastgoedbedrijf voor entertainment, Living City. (...) Van den Ende is zeer geschokt door wat er is gebeurd. De twee commissarissen bij Living City, Hans van T. en Dennis L., werden in november opgepakt bij de grootste actie van de FIOD/ECD ooit gehouden, en zaten in voorarrest.’

In één van de weinige commentaren die hij gaf op die actie van november vorig jaar (invallen op vijftig plaatsen in binnen- en buitenland, achttien aanhoudingen) zei René Craemer: „Het valt me niet mee waar we tegenaan lopen. We stuiten op mensen van wie ik volstrekt niet begrijp wat hun prikkel is. Zó rijk – en dan toch nog zó frauderen.” Eerder eisten ‘zijn’ officieren van justitie veertien maanden cel tegen Ahold-topmannen Cees van der Hoeven en Michiel Meurs. De feiten waren grotendeels bewezen, er waren geen vormfouten gemaakt en toch: de rechter legde alleen voorwaardelijke celstraffen op. Wij zijn, zei René Craemer toen, „grenzen aan het verkennen op zoek naar de juiste strafmaat”. En: „We willen de strafmaat voor fraudeurs in de top van het bedrijfsleven iets oprekken.”

Is boeven vangen uw drijfveer?

„Je zou kunnen zeggen dat het zo begonnen is, ja. Helemaal in het begin van mijn loopbaan werkte ik bij een grote multinational en reisde ik de hele wereld rond. Maar dat lijkt leuker dan het is. En ik realiseerde me: in dit werk draait alles om geld verdienen. Toen stond in de krant een vacature voor officier van justitie. Dat had iets jongensboekachtigs: leuk, spannend. En het leek me werk waar je een goed gevoel bij krijgt.”

U wilde iets voor de maatschappij betekenen?

„Nou, zo hoogdravend zou ik het niet zeggen. Ik was in het begin ook helemaal niet van plan zo lang bij de overheid te blijven. Maar gaandeweg denk je: spannend oké, maar het is vooral nuttig wat ik doe. Mensen als wij moeten er gewoon zijn. Wij houden iets in stand. En dat geeft voldoening. De voldoening van: ik doe iets waar het collectief wat aan heeft.”

Uw betrokkenheid bij zaken hangt samen met dat soort voldoening?

„Ik voel me zeer betrokken bij zaken waarin de maatschappij een deuk heeft opgelopen, ja. Als het vertrouwen dat mensen moeten hebben in financiële markten is geschonden, bijvoorbeeld. Zulke zaken zijn misschien niet meteen schokkend voor de burger in de straat, maar ze zijn wel extreem belangrijk voor het functioneren van het systeem.”

Staat u anders in grote dan in kleine zaken?

„Je doet zo goed mogelijk je best, of het nu kleinere of grotere zaken zijn. Dat is je professionaliteit. Maar er is wel een verschil en dat is dat bij megazaken het hele land over je schouder meekijkt. Die zaken hebben zo’n impact dat iedereen van je verwacht dat je ze goed doet.”

En als de rechter anders oordeelt dan uw parket voor ogen stond?

„Dan ga je eerst lezen: wat heeft de rechter bewogen. Daar zitten vaak argumenten tussen waarvan je denkt: ja, zo kun je er natuurlijk ook tegenaan kijken. Als je daar juridisch mee kunt leven, heb je al een belangrijke stap gezet. Maar als je denkt: nee hoor, we hebben gelijk – dan ga je door. En bij het werk dat wij hier doen vind ik het belangrijk dat als je dat denkt, je ook echt doorgaat. Want de witteboordencriminaliteit heeft een geschiedenis van: daar kom ik gemakkelijk mee weg. Gelukkig is de maatschappelijke tendens dat we gevoeliger voor witteboordencriminaliteit worden. Ook de rechtspraak wordt langzaam scherper – die volgt die trend. En als parket kunnen wij dat beïnvloeden door waar de rechtspraak de trend niet volgt, in hoger beroep te gaan. Zo zie je op den duur een stramien ontstaan. En dat is goed.”

Als u de mensen ziet om wie het gaat denkt u: ik hoop dat ze in de cel komen?

„Nee, helemaal niet. Ik weet dat ik het zelf nog geen week in de gevangenis uit zou houden. Maar we hebben niet zoveel anders. We hebben niet zoveel waarmee we zoals dat in onze termen heet, leed kunnen toevoegen. Gevangenisstraf is echt heel erg.”

Daar bent u zich voortdurend van bewust?

„Ja. Ja hoor, dat weten wij. Er zijn maar heel weinig gevallen waarin we zeggen: deze persoon moet zo lang mogelijk naar de gevangenis. Dat merk je ook als we een discussie hebben over strafmaten. De zwaarte van een gevangenisstraf speelt altijd een rol.”

Hoe gaat zo’n discussie in zijn werk?

„Precies zoals je denkt dat zoiets gaat: een stel mensen om een tafel, eentje heeft een zaak en legt uit: het zit zo en zo in elkaar. En dan reageren de anderen. Als je het echt leuk wilt maken, doe je een rondje waarbij iedereen wat opschrijft en dat vergelijk je dan. Uiteindelijk komen we met z’n allen uit op een advies voor de officier van justitie. En over het algemeen volgt die dat advies.”

Is het erg een zaak te verliezen?

„Ik weet dat dit raar klinkt, maar ik meen het serieus: ik win geen zaken. Wij zijn ervoor om de waarheid boven tafel te krijgen. En om daar een eis aan vast te plakken waarvan de samenleving zo ongeveer vindt dat dat de reactie zou moeten zijn. Als een rechter vervolgens naar eer en geweten zegt: nee, deze zaak is niet bewezen – ook goed. Als die rechter dat maar doet op basis van het materiaal dat wij hebben aangedragen. Als we maar geen beroepsfouten hebben gemaakt.”

Dat is lastig uitleggen aan iedereen die bij megazaken over uw schouder meekijkt.

„Daar heeft men geen boodschap aan, nee. Wij kunnen wel zeggen dat we niet kunnen winnen of verliezen, maar daar beïnvloed je het beeld van het publiek niet mee. Het komt gewoon niet altijd over. En dat is jammer, want wij hebben best wat uit te leggen. Wij hebben uit te leggen dat wij ons werk goed doen als we professioneel werk hebben geleverd. Als we alle bewijs dat we konden vergaren ook hebben vergaard. Hebben we dat netjes gedaan, er de juiste tenlastelegging bij geschreven en de rechtbank kunnen overtuigen: daar gaat het om. Maar dat is niet een prestatie die mensen willen zien.”

Ligt u wel eens wakker van een zaak?

„Nooit. Maar waar je wakker van zou kunnen liggen zijn de megazaken met de enorme impact. Dat je daar niet alleen staat voor het belang van de strafzaak, maar ook voor het hele openbaar ministerie.”

U ligt ook niet wakker van de kritiek?

„Veel van de kritiek die wij krijgen is onterecht. En kritiek is alleen vervelend als die klopt.”