‘Ik was nieuwsgierig naar het werk van mijn patiënten’

De Belgische huisarts Karel Van Bever (30) schreef een boek over zijn ervaringen als undercover arbeider in de Antwerpse haven. „Ik vraag nu altijd aan mijn patiënten wat voor werk zij doen.”

Huisarts Karel Van Bever als havenarbeider. Foto Wouter van Vooren Karel Van Bever Vooren, Wouter Van

Karel Van Bever (30) had wel een idee hoe arbeiders leefden. De huisarts uit het Belgische Zelzate behandelt ze vaak. Hij hoort hun verhalen. Maar hij wilde ondervinden hoe het is om arbeider te zíjn. Daarom ging hij negen maanden in de Antwerpse haven werken. Undercover. Van Bever schreef er een boek over, Huisarts in overall.

Hij kende het werk van de Duitse journalist Günter Wallraff, die zich in de jaren tachtig vermomde als Turkse gastarbeider. In Ganz unten (vertaling: Ik, Ali) beschreef Wallraff de verregaande misstanden aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Maar een boek of zoeken naar misstanden was niet zijn eerste doel, vertelt Van Bever in zijn praktijk. „Ik wilde kijken, voelen, luisteren, beleven. Als je zelf iets meemaakt dan heeft dat een veel grotere invloed dan wanneer je verhalen van anderen hoort.”

Het werk in de haven bleek zwaar, vuil en soms gevaarlijk. „Na twee maanden werken herken ik mijn doktershanden niet meer”, schrijft Van Bever. Zijn handen zaten vol schrammen, eeltplekken en eczeem.

Zelzate (ruim 12.000 inwoners) is een arbeidersgemeente tussen Antwerpen en Gent. De weg er naartoe leidt langs bedrijventerreinen. Van Bever groeide op in een naburige gemeente, tussen mensen uit de middenklasse. Het arbeidersmilieu kende hij niet. Zijn vader is laborant, zijn moeder werkt bij een groot telecombedrijf.

Karel Van Bever wilde geen huisarts worden. Hersenchirurg, dat leek hem wel wat. Of werken bij Artsen zonder Grenzen. Hij liep stages in Kenia en Cambodja. Uiteindelijk besloot hij dichtbij huis te blijven.

Van Bever werkt bij Geneeskunde voor het Volk, dat is verbonden aan de kleine Belgische Partij van de Arbeid. Net als de Nederlandse SP heeft die partij een aantal huisartsenpraktijken opgezet. Van Bever en zijn collega’s bieden er gratis medische zorg. Anders dan de meeste Belgische huisartsen vragen ze patiënten niet om een eigen bijdrage bij elk consult.

De huisarts werd nieuwsgierig naar de werkomstandigheden van zijn patiënten. Die zeiden hem bijvoorbeeld: „Ik weet dat ik met dit probleem eigenlijk moet rusten. Maar heeft u geen spuit voor me waardoor ik morgen kan gaan werken? Anders grijp ik naast mijn vaste contract.”

Voordat hij in de haven ging werken, legde Van Bever zichzelf drie regels op. Eén: hij mocht geen gebruikmaken van zijn opleiding tot arts. Twee: hij zocht niet naar een marginaal baantje, maar naar werk dat zo goed mogelijk werd betaald. Drie: hij zou zijn best doen om zijn baan te houden. „Ik zocht de best mogelijke job als ongeschoolde. Ik wilde werken bij een typisch Belgisch bedrijf dat groot is, veel werknemers heeft en dat winst maakt.”

Dat bedrijf werd Katoen Natie, dat duizenden mensen in dienst heeft. De eerste maanden werkte hij op dagcontracten, daarna kwam hij in vaste dienst. Het werkritme bleef onvoorspelbaar, meestal hoorde hij pas een dag tevoren hoe laat hij moest werken: vroege dienst, late dienst, of ’s nachts.

Van Bever moest allerlei stoffen (glasvezel, paraloid, titaniumoxide) uit enorme zakken in kleinere zakken doen – of andersom. Dat gebeurde met vorkheftrucks en geautomatiseerde zeven, maar vooral met spierkracht. Sommige stoffen lieten hardnekkige witte sporen achter op de huid. Ademhalen was soms moeilijk.

Het werk bleek vermoeiender dan gedacht. „Als ik om half drie thuiskwam, na een vroege ploegendienst, dan kon ik níks meer. Ik wist niet dat het zo vermoeiend was. Ik had stiekem gedacht: nu ga ik negen maanden een makkelijker leven hebben dan als huisarts.

„Als huisarts maak je lange dagen, moet je soms weekenddiensten doen en neem je vaak je werk mee naar huis. Je vraagt je af: heb ik een verkeerde diagnose gesteld? Het is werk dat tamelijk ingrijpend is voor je sociale leven. Maar arbeider zijn is dat ook. En dat had ik niet verwacht. Ik dacht: dat is nine to five, en dan ga je in de tuin werken, en tijd besteden aan je hobby’s. Maar fysiek was dat niet mogelijk.”

Hij verbaasde zich ook over de onveilige situaties op het werk. Er zijn wel veiligheidsregels, maar die worden slecht nageleefd. En er zijn beschermingsmiddelen, maar niet in overvloed: „Je krijgt twee stofkapjes per ploegendienst en twee stofpakken. Maar er zijn drie schaften per dag. Dat betekent dat je twee keer per dag spullen moet aantrekken die vol zitten met stof.”

Op internet zocht Van Bever naar informatie over de producten waar hij mee werkte. ‘Geen informatie voorhanden over gevolgen van langdurige blootstelling of mogelijke kankerverwekkende eigenschappen’, las hij dan soms. Was hij nooit bang? „Niet echt. Veel stoffen zijn pas schadelijk als je er lange tijd aan wordt blootgesteld. Negen maanden is dan kort. Maar het verhaal van asbest is bekend. Wordt er vroeg of laat nog eens zo’n verhaal bekend?”

Na drie maanden was Van Bever getuige van een ernstig ongeval. Een collega werd getroffen door een losgeraakte vork die van een vorkheftruck naar beneden viel. In het boek schrijft hij: „De veiligheidsvoorschriften zijn zeer streng, maar het is onmogelijk ze goed toe te passen: door de massa ‘interimmers’, de steeds wisselende ploegendiensten en de prestatiedruk. Zo moet iedere morgen bij het eerste gebruik van een vorkheftruck een hele lijst worden overlopen om alles te testen: lichten, remmen, gas, vorken, ruitenwissers… Tot vandaag wist ik niet van die checklist af. Ik heb hem nog nooit door iemand zien invullen, nooit heeft iemand mij verteld dat dat moest gebeuren. Als ik de lijst had gecheckt, had ik wellicht gezien dat een van de vorken los zat.”

Nu zegt hij: „Ik zag die man vallen als een blok. Om hem heen lag een plas bloed die steeds groter werd. Ik dacht dat hij op slag dood was. Hij kreeg een stalen voorwerp op zijn hoofd dat ik niet kan tillen, zo zwaar. Maar het liep gelukkig goed af. Waarschijnlijk was het ding afgeketst op iets anders, waardoor het hem niet midden op het hoofd trof.”

Hij vergat even dat hij geen arts was en werd bijna ontmaskerd. „Laat hem liggen”, zei hij tegen een collega. En tegen de gewonde man zei hij dat die zich niet moest bewegen. „Heb je soms een EHBO-diploma”, werd er gevraagd. Zelf had hij die smoes niet bedacht.

Van Bever wist zijn rol tot het einde vol te houden. De werkgever hoorde er pas van toen zijn boek af was. Fernand Huts, de eigenaar-bedrijfsleider van Katoen Natie, reageerde laconiek in de Vlaamse krant De Standaard: „Kijk, als bedrijf doen we er alles aan om onze klanten te bedienen. Dat bereik je niet door alleen tussen acht uur ’s morgens en vijf uur ’s avonds te werken, neen. Als hij dat heeft willen bewijzen, zal dat wel kloppen.”

De negen maanden hebben Van Bever veranderd. „In België moet je een briefje halen bij je huisarts als je ziek bent. Dat betekent meestal onderhandelen hoe lang iemand thuis mag blijven. Ik vraag nu steevast welk werk een persoon doet. Vroeger had ik niet altijd die reflex.

„Als huisarts kan ik werken met een verkoudheid, als ik het wat rustiger aan doe. Bij Katoen Natie moest ik twee dagen thuisblijven, omdat het werk veel belastender was en omdat ik in het stof zat. Dat is een heel andere realiteit.”

Dokter in overall, Karel Van Bever, Uitgeverij EPO, Berchem-Antwerpen, ISBN 978 90 6445 481 3, 17,50 euro