‘Ik heb geen aanleg om te lijden’

D. Hooijer zwierf jaren als amateurarcheologe over de hei. Daarnaast schreef ze gedichten die ze nu wel voor gezien houdt. De verhalen die daarop volgden zijn ontregelend, maar inmiddels wel bekroond. En haar recentste bundel is nu genomineerd voor de Librisprijs. ,,Ja, die stijl van mij, daar wil ik vanaf. Ik wil zakelijker schrijven’’, zegt ze desondanks.

Tja, Hilversum. „Waarom schrijft u eigenlijk onder pseudoniem?” werd een paar weken geleden in het programma Knetterende Letteren gevraagd aan D. Hooijer. „Ik ben geboren in een dorp”, antwoordde de voor de Librisprijs genomineerde schrijfster, „En daar woon ik nog steeds.”

Straten zijn rustig en huizen zijn ruim waar Hooijer woont. In elke heg viert een andere zangvogel de lente. Eigenlijk geen plek waarvan je verwacht dat mensen er hun kunstzinnige activiteiten verborgen houden. Maar op de brievenbus van D. Hooijer staat inderdaad een andere naam.

Op het eerste gezicht lijkt de vriendelijke, beschaafde vrouw die de deur opendoet perfect in haar omgeving te passen. Hooijer (68) woont er al lang, zag er twee dochters opgroeien en zorgt er nu af en toe voor haar kleinkinderen. Maar kleine surprises liggen op de loer: als je zegt dat je ‘niets’ in je koffie hoeft, riposteert ze met pretoogjes: „Maar toch wel koffie zeker?”

De manier waarop Hooijer halverwege een gesprek ineens iets vreemds kan zeggen, is geen verrassing als je haar verhalen kent. De mensen die ze beschrijft maken aanvankelijk een gewone indruk. Maar ze hebben moeite met conventies, ze zijn op een ontregelende manier rechtdoorzee. Zo komt in het titelverhaal van het voor de Librisprijs genomineerde Sleur is een roofdier een man voor die een lijst erotische aanwijzingen opstelt voor de ex van zijn vrouw. In een ander verhaal geeft een verpleegster zich plotseling aan een patiënt of bewaart een vrouw tegen heug en meug een verzameling jampotjes met restjes adem van een man.

Wel wat vreemde mensen, dus, die maar half bij de wereld lijken te horen, waardoor de verhalen van Hooijer zich aan de vaste categorieën lijken te onttrekken. Ze zijn te buitenissig om realistisch te zijn, misschien zou je ze kunnen karakteriseren als alledaags absurdistisch – al zijn ze daar misschien weer te menselijk voor. Mannen en vrouwen vallen bij elkaar binnen met formuleringen als: ‘Ik vraag je ten huwelijk. Een zakelijk huwelijk mag het zijn. Van mijn kant is het liefde.’

In haar debuutbundel Kruik en kling (2001) werden ze hier en daar verluchtigd met kleine stripachtige tekeningetjes van de auteur zelf – al heeft ze die inmiddels geschrapt uit angst haar tekst te ironiseren. Het vervreemdende effect wordt versterkt door de verrassende, beeldende zinnen die Hooijer schrijft: ‘Zou ik hersens hebben vlak achter mijn neus, een streng cellen die van het oog direct naar mijn tong gaat?’

„Ja, die stijl van mij”, zegt Hooijer. „Daar wil ik vanaf. Ik wil zakelijker schrijven. In mijn boeken is het of je in een vijver vol waterlelies zwemt die je allemaal opzij moet duwen. Mensen blijven hangen. Ik ben diep onder de indruk van de stijl van Koen Peeters (ook genomineerd voor de Librisprijs met Grote Europese Roman). Die is mooi, trefzeker en dringt zich niet op. Zo zou ik ook willen schrijven.”

Tot zover de veelgeprezen poëtische kracht van Hooijers verhalen. „Wat ik tot nu toe maakte is een tussenvorm, maar ik wil echt proza maken. Dit lijkt veel te veel op poëzie.” En die heeft Hooijer achter zich gelaten. Onder het pseudoniem Milly Wiers publiceerde ze gedichten bij de kleine uitgeverij De Beuk en in De Revisor, maar tot een bundel bij een grote uitgeverij kwam het niet. „Ik kijk nooit meer naar die gedichten. Als ik dat doe, wil ik ze onmiddellijk veranderen.”

Zo traag als Hooijers doorbraak als dichteres verliep, zo snel werd ze herkend als een bijzonder prozaschrijver. Haar drie verhalenbundels werden geprezen, de tweede, Zuidwester meningen (2004) werd genomineerd voor de Anna Bijns Prijs. Toch voelt Hooijer zich in het literaire wereldje nog niet op haar plaats: „Bij de bekendmaking van de nominaties voor de Librisprijs dacht ik: hier zitten allemaal kunstenaars en één burgertrut.”

Dat laatste woord neemt ze later terug: „Zeg maar liever dat ik geen grote aanleg heb om te lijden, zoals een schrijver als Jeroen Brouwers dat doet.” De boeken van haar medegenomineerden heeft ze gelezen. „Toen ik De literaire kring van Marjolijn Februari las, droomde ik elke nacht dat ik een kristallen glas opat. Dat betekent natuurlijk iets. Iedereen kon schrijven en ik kon dát: een glas opeten. Het is ook een teken dat het helderder moet, trouwens.” Hooijer is ‘onder de indruk’ van de andere boeken – tot haar eigen verbazing. „Als ik een boek pak, denk ik bij voorbaat dat het wel weer niks zal zijn. Schrijvers zijn moeilijk te veroveren lezers.”

Hooijer mag zich in gezelschap van schrijvers stilletjes een burgertrut vinden, in de massieve truttigheid van ‘het dorp’ viel ze jarenlang buiten de orde. „Ik liep hier wel met de schrijver en tekenaar Harrie Geelen over straat. Hij zag er anders uit, maar van hem vond niemand dat vreemd, hij was een kunstenaar. Ik was een van de moeders.” En die moeten zich koest houden. Anders volgen roddel en achterklap. Hooijer vertelt over hoe halve vreemden over haar vermeende ‘stoeipoezentijd’ begonnen, en hoe op de traditionele buurtbarbecue mensen je net buiten gehoorsafstand belasteren, over hoe haar man op straat wél werd gegroet en zij niet „omdat ik weleens gearmd met een ander uit het café kwam.”

Waarom woont ze er eigenlijk nog? „Mijn man vindt het huis heerlijk. En ik heb geen last meer van de Hilversummers, al heb ik aan sommigen een hekel.” Hooijer heeft zich toch al veel en vaak aan de goegemeente onttrokken; ze zwierf jarenlang als amateurarcheoloog over de hei. Het prettig ontregelende karakter van haar werk lijkt op de een of andere manier mede veroorzaakt te zijn door die sociale druk, al zijn de verhalen slechts bij vlagen autobiografisch, zegt ze.

Van haar cafétijd is veel terecht gekomen in Zuidwester meningen. Zoals een van de personages in die bundel constateert: ‘Ik zit in het Lage Naarden, mijn café. Een plaats voor vrouwen. Drinken, praten, gokken, flirten, niemand zeurt erover. Dat ik gok, strookt met ieders verwachting. Het is een vervanging voor seks.’ Ze heeft ‘wortel geschoten’ in het café, zegt ze, tot ook dat afgelopen was. „Je kunt niet altijd blijven gokken.”

In het café werd ook de kiem voor haar verhalen gelegd: „Aan de bar heeft iedereen grote plannen: eindelijk dit doen, eindelijk dat doen, eindelijk gaan schrijven. Ik moest zelf ook ergens overheen, ik moest 57 worden. Dat heeft met hormonen te maken. Ja, dat méén ik. De overgang speelde een belangrijke rol.”

Hooijer stuurde een verhaal naar uitgeverij Van Oorschot. „Men vroeg me meteen of ik meer had, maar ik had niets. Toen ben ik snel verder aan de gang gegaan.” Inmiddels heeft ze haar zinnen gezet op het schrijven van een roman. „Dat moest van Janet Luis”, zegt ze met een stalen gezicht, verwijzend naar de bespreking van Sleur is een roofdier in deze krant. Even later: „Ik ben zelf de eerste die ergens op uitgekeken raakt, ik wil niet nog een keer een zelfde soort verhalenbundel schrijven. Dus werk ik elke ochtend aan mijn roman. Wat het precies gaat worden, weet ik niet, maar het gaat heel lang duren. Ik moest toch een keer écht gaan schrijven.”

D. Hooijer: Sleur is een roofdier. Van Oorschot, 176 blz. € 16,–