Houvast

Ik aarzelde geen moment toen ik werd uitgenodigd gedichten voor te lezen op het Internationale Festival voor Hedendaagse Poezië 2008 in Zagreb. Mijn gedichten zouden worden vertaald in het Kroatisch, de organisator drukte me op het hart dat ik als zijn eigen moeder zou worden behandeld, en ik zou dichters van over de hele wereld ontmoeten. Zelfs Silke Scheuermann stond op het programma. Ik verheugde me op een kleine voorjaarsvakantie, al zou het natuurlijk ook best hard werken worden omdat ik vijf keer zou moeten voorlezen. Ik nam mijn badpak mee en zag voor me hoe ik al baantjes trekkend met Silke Scheuermann de stand van zaken in de internationale poëzie zou bespreken.

Bij aankomst in Zagreb meldde Silvestar, de organisator van het festival, dat Silke Scheuermann verhinderd was. De voor mij geboekte hotelkamer was niet meer beschikbaar. Ik werd naar een ruime kamer gebracht, die ik bleek te moeten delen met zeven ongelukkige dichters.

Silvestar stond erop dat we ’s ochtends een biertje met hem dronken. ’s Middags kregen we een flink vleesgerecht om op kracht te komen en ’s avonds verschillende vleesschotels om een goede bodem te leggen voor de drank die voor, tijdens en na de voorlees-sessies genuttigd zou worden. Toen ik eens een thee bestelde, zachtjes, zodat Silvestar het niet zou horen, riep de kelner verontwaardigd uit dat hij nog geen thee zou drinken als hij doodziek was.

Langzaam verloor ik de grond onder mijn voeten. De straten klotsten zachtjes en de huizen waren week, als gespiegeld in wegebbend water. In een helder moment vroeg ik Silvestar nog naar een zwembad, maar hij lachte en riep uit: ‘Wie heeft er nou een zwembad nodig in Zagreb?’ Ik was het met hem eens. Ik zwom na het voorlezen naar huis door de slootzwarte straten en bleef ’s nachts met mijn hoofd onder water opdat ik geen geluiden van naar adem snakkende dichters zou horen.

Alleen de allereerste uren van de ochtend kreeg ik de kans om iets te lezen. Voordat Silvestar de kamer in zou komen stormen met vleespasteitjes voor het ontbijt, las ik in de speciaal voor het festival gemaakte bundel Beads on the tongue het in het Engels vertaalde gedicht van de Portugese Filipa Leal (1979), The liquid city. Ik voelde hoe ik wegdreef bij het lezen van dit gedicht. Tevergeefs greep ik om me heen:

Birds damped themselves against the towers. Everything evaporated: bells, clocks, rats, the ground. Hairs got rotten, the gaze too. There was motionless fish at door’s thresholds. Solid masts fastening the walls of things. Seamen rushing into taverns.

Pas tegen het einde van de week leerde ik hoe ik met Silvestar om moest gaan. Als hij zei dat ik zijn land beledigde door niet nog iets te drinken, haalde ik mijn schouders op. En wanneer ik echt geen andere uitweg zag, noemde ik de eer van mijn moeder, waarna alle deuren voor me opengingen. Toen ik de laatste avond eindelijk eens vroeg en redelijk nuchter op bed lag, vond ik het eigenlijk jammer dat Silvestar niet over zijn eigen moeder was begonnen. Het was stil zonder de anderen. Ik schommelde zachtjes in mijn bed dat roerloos afdreef, en las in het gedicht van Leal:

The city was moving like a boat. No. Perhaps the ground would break someplace. No. It was dizziness. The farewell. No. Maybe the city was made of water. How can one outline a liquid city?