Het nut van fantaseren

Fantasie heeft vele gezichten. Dat van de Mexicaanse schilder Frida Kahlo bijvoorbeeld, in haar zelfportretten. Op haar achttiende raakte Kahlo bij een tramongeluk vreselijk gewond. Een ijzeren leuning doorboorde haar bekken waardoor ze geen kinderen meer kon krijgen. Haar leven was een opeenstapeling van pijnlijke operaties, miskramen, orthopedische korsetten en uiteindelijk de amputatie van haar rechterbeen. Na het ongeluk begon ze, aan bed gekluisterd, fantasierijke zelfportretten te maken, met behulp van een spiegel aan het plafond.

Of neem de Duitse voormalig postbode Gert Postel. Die zocht in 1995 een nieuwe levensvervulling. Hij was zojuist van de studie theologie verwijderd, omdat het inschrijfbureau erachter was gekomen dat hij niet de juiste diploma’s bezat. Bladerend door een artsenblad las Postel een personeelsadvertentie voor psychiater in een forensische kliniek. Met wat vervalste papieren, telefoontjes waarin hij zichzelf aanprees en een vlotte babbel – onder meer over een stage bij moeder Teresa – werd hij aangenomen. Anderhalf jaar lang stelde hij psychiatrische rapporten van criminelen op, met nieuwe, zelfbedachte syndromen als ‘biopolaire stoornis derde graad’, of ‘cognitief geïnduceerde distorties in de stereotypische formatie van de oordeelsvorming’. Postel werd uiteindelijk in 1999 ontmaskerd en veroordeeld tot celstraf.

Fantasie is een eigenschap die zich onder de meest ongunstige omstandigheden laat gelden. En die mensen tot briljante meesterwerken beweegt, zoals Kahlo. Of ze te ver wegtrekt uit de normale wereld, zoals Postel.

Postel is een prachtig voorbeeld van iemand die fantasy prone is, zegt hoogleraar rechtspsychologie Harald Merckelbach van de Universiteit van Maastricht. Fantasy proneness is een extreme variant van fantasievol zijn. Merkelbach stelde de Creatieve Ervaringen Vragenlijst op om die eigenschap te meten en onderzocht hoe betrouwbaar de getuigenverklaringen zijn van mensen die hoog op de test scoren. Een paar jaar geleden interviewde hij Postel.

Merckelbach: ‘Sommige fantasy prone mensen venten hun talent helemaal uit. Mensen als Postel kunnen enorm goed allerlei rollen spelen en snel een vocabulaire aanleren. Ze hebben een groot empathisch vermogen, waarmee ze zich in anderen kunnen verplaatsen. Ze laten zich meeslepen in hun vermogen om verhalen te vertellen en gebruiken dat.’

Overdreven veel fantasie kan van mensen pathologische leugenaars maken. Of dissociatieve patiënten, met verschillende persoonlijkheden. In een mildere vorm lijkt een grote fantasie vooral een benijdenswaardige eigenschap. We willen allemaal wel als fantasievol en creatief te boek staan. Maar waarom eigenlijk? Wat is het nut van fantaseren?

Merckelbach: ‘Uit de neurowetenschappen blijkt dat verbeelding of ‘imaginatie’, actie en waarneming allemaal heel dicht bij elkaar liggen in het hoofd. Door verbeelding bedenk je een scenario om iets te doen, dat je later zou kunnen gebruiken.’ Fantasie helpt bij het oplossen van problemen, omdat je je iets kunt voorstellen wat er nog niet is. Het is een manier om los te komen van de werkelijkheid. ‘Dat oplossend vermogen kan de evolutionaire reden zijn dat mensen over de tijd heen met fantasie zijn uitgerust’, stelt Merckelbach. ‘Maar als je die eigenschap eenmaal hebt, kun je er allerlei andere dingen mee doen, zoals kunst maken, acteren en dagdromen.’

Fantasie is het vermogen om een draai te geven aan de werkelijkheid, volgens ontwikkelingspsycholoog Gerrit Breeuwsma van de Rijksuniversiteit Groningen. Fantasie is handig om problemen op te lossen, waarvan we niet duidelijk weten hoe we dat moeten doen, zegt ook hij. ‘En met fantasie kun je dingen communiceren zonder ze uit te hoeven voeren, zoals in een boek of een kunstwerk. Kunstenaars weten hoe ze hun fantasie doelmatig in moeten zetten.’

Dat doelbewust inzetten van fantasie is iets wat jonge kinderen nog niet kunnen, zegt Breeuwsma, die ‘al een jarenlange interesse voor verbeelding en kunst bij kinderen’ heeft. Waarom niet? ‘Kinderen schieten nog gemakkelijk heen en weer tussen wat echt is en wat niet. Daarbij kan de werkelijkheid net zo goed fantastisch zijn als de fantasie realiteit. Zo bekeken ‘fantaseren’ jonge kinderen niet. Tenminste niet in de betekenis die volwassenen eraan geven. Dat komt pas later, vanaf een jaar of zeven. Als ze begrijpen wat metaforen zijn en hoe ze grapjes kunnen maken.’

Gek genoeg is dat het moment dat volwassenen kinderen minder fantasievol gaan vinden, merkt Breeuwsma op. ‘Tekeningen van kinderen van een jaar of 4, 5, 6 vinden we prachtig. Als kinderen vanaf 7, 8 jaar realistischer gaan tekenen vinden we het minder mooi. Terwijl ze dan beter begrijpen wat fantasie is en hoe ze het kunnen gebruiken.’

Merckelbach noemt jonge kinderen wel fantasievoller dan volwassenen. Dat komt omdat kinderen nog niet zo goed weten hoe de werkelijkheid in elkaar steekt, denkt hij. ‘De vrijheidsgraden van de fantasie zijn groter bij hen.’ Wie kinderangsten bestudeert, ziet dat jonge kinderen banger zijn voor spoken en zielen. Terwijl de angsten van oudere kinderen gekoppeld zijn aan concrete dingen, zegt Merckelbach.

Mensen verschillen in de mate waarin ze fantasievol zijn. Niet iedereen fantaseert zichzelf een baan in, of blijft schilderen ondanks helse pijn. Die verschillen zijn bij kinderen al te zien. Gerrit Breeuwsma: ‘Als kinderen vrij mogen spelen en zélf iets mogen doen, dan zie je dat sommige kinderen met helemaal niks komen.’

Dat ook volwassenen enorm kunnen variëren in het neigen naar fantasie, wordt mooi geïllustreerd met een experiment uit 1983, zegt Breeuwsma. Hoogleraar psychologie Sybil Barten van de Quebec Universiteit in Montreal onderzocht een groep kunstenaars en een groep wetenschappers. Beide groepen moesten alledaagse objecten beschrijven, zoals een koffiekopje. De wetenschappers kozen vooral voor objectieve, materialistische beschrijvingen. De kunstenaars noemden kenmerken van objecten die niet direct te zien waren. Ze gaven het object een sfeer of een lading, het had bijvoorbeeld ‘iets bozigs’. De dingen kregen een fysiognomische of ‘levende’ beschrijving.

Toch hebben ook wetenschappers en experts fantasie nodig, zegt Merckelbach. Volgens hem is fantasie een voorwaarde om werk als onderzoeker of rechercheur te kunnen doen, waarin ogenschijnlijk onafhankelijke gebeurtenissen aan elkaar moeten worden geplakt. ‘Fantasie heb je nodig om de rode draad in gebeurtenissen te kunnen ontdekken, een draad die je niet meteen ziet.’ Fictionalizing reality, noemt Merckelbach dat.

Er zijn grote verschillen in verbeeldingsvermogen tussen mensen, zoveel is duidelijk. Over hoe dat komt, of onder welke omstandigheden mensen fantasievol worden, bestaan verschillende theorieën. Merckelbach: ‘Er zijn drie routes naar fantasie. Het kan om te beginnen liggen aan de omgeving waarin je opgroeit. Als je in een gezin leeft waar veel wordt gemusiceerd of je komt uit een toneelfamilie, dan word je gestimuleerd in je fantasie.’

Daarbij telt ook de waardering van fantasie, meent Breeuwsma. ‘Als een kind met een prachtige, fantasievolle tekening thuiskomt, wordt dat beloond. Dan kan de beloning de stimulans worden.’ Veel van fantasie is aangeleerd, denkt Breeuwsma. ‘Maar er zijn veel voorbeelden van mensen die onder de slechtste omstandigheden altijd zochten naar mogelijkheden om zichzelf uit te drukken.’ Mensen die een niet te stoppen neiging hebben tot dingen scheppen en bedenken.’

Het vermogen tot fantasie kan ook aangeboren zijn, de tweede route. ‘Er is een overkoepelende eigenschap waar geneigdheid tot fantasie onder valt. Die heet ‘openness to experience’, zegt Merckelbach. Met die openheid hangen zaken als voorkeur voor variatie, een groot voorstellingsvermogen en intellectuele nieuwsgierigheid samen. ‘Van openness to experience weten we dat het een forse genetische component heeft.’

Een derde route naar fantasie is een slechte jeugd, zegt Merckelbach. ‘Vaak zie je dat mensen die een beroerde kindertijd hebben gehad, geloven in ufo’s of paranormale ervaringen.’ Mensen in ellendige omstandigheden gebruiken fantasie als vluchtroute.

Fantaseren is bovendien gewoon fijn. Dat aspect wordt vaak vergeten bij studies, zegt Breeuwsma. ‘Fantasie heeft een zekere doelloosheid. Je moet niet altijd vragen naar het nut van iets, daar gaat het aan ten onder. Fantaseren is domweg een aangename bezigheid, net als muziek maken, dat geeft genot.‘

En het is handig. Zo kocht Wilhelm Voigt, een schoenlapper uit Köpenick bij Berlijn, op een goede dag in 1906 een legerkapiteinspak. Hij oefende wat houdingen en commando’s voor de spiegel, marcheerde naar een willekeurige groep militairen en stelde die onder zijn gezag. De mannen volgden hem naar het stadhuis, waar hij de burgemeester liet arresteren op verdenking van fraude. De stadskas nam hij mee. Weer buiten liet hij de militairen de orde bewaren, kleedde zich weer om en vertrok. Het verhaal leeft voort in boeken en toneelstukken en is geen fantasie.