Geketend in het meneertjesschap

Er zijn genoeg meneren in de Nederlandse literatuur: meneer Tingeling, Taats en Tiennoppen. Maar Nabokovs meneer is een échte roman.

Hoe Pnin (1957) te typeren? Is het een campusroman? Een immigrantenroman? Een comedy of errors misschien? Voor mij is Pnin het ultieme ‘meneertjesboek’. Er bestaat geen meneertjesachtiger meneer dan professor Timofey Pnin, de Sovjet-emigré die na omzwervingen domicilie koos op het kleine, knusse Waindell College in New England. Daar geeft hij nu al jarenlang les en wordt hij vanwege zijn onhandigheid en zijn blijvend gebrekkige Engels nogal eens achter zijn rug uitgelachen door collega’s.

Onze Timofey Pnin, die een heilig ontzag koestert voor de universitaire mores, blundert vaak tijdens colleges. Hij maakt zich vrij onmogelijk op informele bijeenkomsten en neemt de verkeerde trein als hij ergens een gewichtige lezing moet geven. Bijwijlen lijdt hij aan taai hartzeer. Pnin is niet iemand die een geliefde in steek laat; hij wórdt in de steek gelaten.

Ik heb het hier over ‘onze Pnin’; een kleine hulde aan Vladimir Nabokov, die enige tijd heeft overwogen om zijn roman ‘My Poor Pnin’ te noemen. Gelukkig veranderde dat in kortweg Pnin. Want als Timofey Pnin uitsluitend als ‘mijn arme Pnin’ het bezit van de schrijver was gebleven, dan was hij vermoedelijk minder snel en gemakkelijk ónze arme Pnin geworden, de 52-jarige geleerde en kaalhoofdige man die je af en toe het liefst als een joch van elf even op schoot zou willen nemen om hem bemoedigend toe te spreken.Met dit verschil dat we Timofey natuurlijk wel moeten vousvoyeren, want alleen al dáárvan knapt hij direct weer op.

Een meneertjesboek dus. Jammer genoeg komt Pnin slechts in het voorbijgaan ter sprake in het aan ‘de mijnheer’ gewijde aflevering uit 1997 van het literaire tijdschrift Raster, en dat terwijl allerlei andere meneren en meneertjes, van Teste en Cogito tot Barnabooth en Plume, wél een podium krijgen. Vreemd, want de typering door Raster-redacteur Jacq Vogelaar gaat toch bij uitstek op voor Timofey Pnin. Volgens Vogelaar zijn meneren en meertjes ‘passief, niet agressief’ maar zijn ze ‘nooit helemaal slachtoffer, en tragisch zijn ze evenmin. [...] Zijn ze zonderling? Ja, in de ogen van anderen: afzonderlingen zijn ze, eenzelvigen. [...] En: ‘Meneer [...] bezit het vermogen om in zijn eigen stad te verdwalen. En sociaal is hij in meerdere betekenissen een rand- of tussenfiguur. [...]’ Je zou zweren dat Vogelaar het hier over onze arme Pnin heeft.

Maar volgens Vogelaar valt Pnin vanwege de vorm van de roman buiten de categorie van meneertjesboeken. Die boeken bestaan vaak uit korte hoofdstukken waarin de meneer op basis van een speciale, vaak excentrieke blik op de wereld allerlei eigenaardige ideeën ontwikkelt. Een karakterontwikkeling kent hij niet. Hij zit vast in zijn onwrikbare meneertjesschap.

Deze kenmerken tekenen ook de meneren in de Nederlandse literatuur, zoals K. Michels meneer Tingeling, Jacq Vogelaars éigen meneer Taats, en Harry Mulisch’ meneer Tiennoppen uit de verhalenbundel Het mirakel. Maar Pnin verschilt van al die andere meneertjesboeken doordat het écht een roman is, en geen verzameling miniaturen over een vreemde snuiter met een nog vreemdere blik op de wereld.

Toen Nabokov in de jaren vijftig zijn verhalen over Timofey Pnin voorpubliceerde in de New Yorker, weigerde een uitgever in de som van die verhalen een roman te zien. Zo kijken we er nu gelukkig niet meer tegenaan. Pnin is een episodische roman waarin onbekommerd de hand wordt gelicht met chronologie. In het eerste hoofdstuk beschrijft Nabokov hoe Pnin er, op weg naar die eerdergenoemde lezing, op zijn paasbest uitziet. Dat vindt hij zélf althans. Over Pnins hoofd heen laat de verteller, die later Pnins grote liefde Liza blijkt te hebben afgepakt, ons indirect weten dat Pnin er in werkelijkheid een puriteinse en archaïsche kledingsmaak op na houdt. En die verteller – met recht en reden ‘onbetrouwbare’ verteller – verkneukelt zich als hij onthult: ‘Nu is het tijd om een geheim te verklappen. Professor Pnin zat in de verkeerde trein.’

Zo wordt de professor dankzij die verteller in één klap een meneertje. Maar wel een die ondanks alle flaters en excentrieke hebbelijkheden een mens van vlees en bloed wordt, over wie tegen het einde van de roman wordt verteld: ‘Hij geloofde niet in een autocratische God. Hij geloofde wel, vaag, in een democratie van geesten. Misschien vormden de zielen van de doden comités en hielden die zich [...] bezig met het lot van de levenden.’

Aangrijpend is Pnins afgrondelijke eenzaamheid – maar in een moeite door is het gesnotter waarmee dit besef van eenzaamheid gepaard gaat hoogst potsierlijk (,,‘Ick cheb nieks!’ jammerde Pnin tussen luid, vochtig gesnuif door.’’) Dat is het wonder van Pnin: Timofej Pnin is meneertje en Mensch ineen. Zodra we op het punt staan de arme Pnin te bewenen, is daar weer die sardonische alwetende verteller die meldt dat elektrische apparaten Pnin in vervoering brachten; dat hij idolaat was van plastic en dat hij ‘een diepe bewondering [koesterde] voor de ritssluiting’. Ocharm.

Pnin zou niet willen dat wij hem zien als een eeuwig slachtoffer, een hulpeloze academicus wiens elektrische gezichtsbruiner misschien zijn enige echte kameraad is. Pnin wil dat wij hem beschouwen als een geplaagd man die er ondanks alles altijd weer bovenop komt. Daartoe dienen dan die luchtige en lachwekkende details over bijvoorbeeld die wonderen van simpele techniek die Pnin zo magnifiek vindt. Gered door de ritssluiting.

Dit is de eerste aflevering in de discussie over ‘Pnin’ van Vladimir Nabokov. Discussieer mee via www.nrc.nl/leesclub, waar ook eerdere artikelen te vinden zijn. Meer informatie is te vinden op de www.the-ledge.nl, die met de Leesclub samenwerkt. Het dorp Stepantsjikovo (Dostojevski, okt.) – Bouvard en Pécuchet (Flaubert, nov.) – Jacobs kamer (Woolf, dec.) – Een man wordt ouder (Svevo, jan.) – Felix Krull (Th. Mann, febr.) – Het genadeschot (Yourcenar, maart) – Huwelijksverhalen (Strindberg, apr.) Pnin (Nabokov, mei)