Een sloerie valt ten prooi aan estafettewraak

Sandro Veronesi: Troje brandt. Vertaald door Rob Gerritsen. Prometheus, 247 blz. €19,95

Sandro Veronesi: Troje brandt. Vertaald door Rob Gerritsen. Prometheus, 247 blz. €19,95

In de Italiaanse literatuur duiken ze de laatste jaren iets te regelmatig op: gesjochten jongens die van schrijvers de slechtigheid van de wereld op hun schouders geladen krijgen. Het zijn personages die een schrijver de mogelijkheid verschaffen om onbevangen en zonder noodzaak tot een oordeel de slechtheid en ellende van de onderklasse neer te zetten. Zulke jongens kijken rond en maken mee. Ze zijn concluderende wezens, aan overdenken zijn ze nog niet toe – wel zo gemakkelijk voor een schrijver. Wat zulke jongens aan crimineels doen, doen ze niet uit slechtigheid maar omdat ze niet beter weten. En door hun baardeloze jeugd zijn ze nog poezelig van buiten en gevoelig van binnen. Dit alles in tegenstelling tot de verdorven volwassenen om hen heen. Een rijke basis voor een roman, zeker als je schrijft als Sandro Veronesi, die scènes zo beeldend als in een film kan oproepen. Maar het kleine-jongensgedoe wordt een truc die hem opbreekt in zijn roman Troje brandt. Hij leverde zijn boek uit aan het vale sentiment dat naar warmte hunkerende achterbuurtknullen oproepen als je ze maar vertederd genoeg beschrijft.

Veronesi voert er achtereenvolgens drie op. Ook al verbranden ze katten (nummer 1), mishandelen ze rijke kinderen (nummer 2) en doen ze aan vergaande middeleeuwse zelfkastijding (nummer 3), ze blijven alle drie onbegrijpelijk lieftallig. In feite zijn ze vehikels voor Veronesi om zijn afkeer te vertalen van profiteurs, of die nu bejaarde ploerten zijn in een sloppenwijk of heer en meester over een provinciaal klooster.

De titel Troje brandt (Bruscia Troia) maakt moeilijk wat zo moeilijk niet is. Een verband met het klassieke Troje zie ik niet, wel met het Italiaanse troia. Dat betekent ‘sloerie’ of ‘drel’ en in deze roman zou het wel eens naar de heilige Maria kunnen verwijzen. Te harer ere bouwt een krankzinnige priester een psychedelische, door Veronesi met gusto beschreven, Mariashowpark, een soort katholiek Neverland, waar de hele dag een neonflitsende mis wordt opgedragen. Het slachtoffer van zijn waanzin zijn de vondelingen die in het klooster zijn opgenomen en die in naam van Maria op ’s priesters gezag door een stel sadistische nonnen worden onderworpen aan een regime dat draait om een clichématige horrorkelder.

De rebelse vondeling Salvatore draagt die naam niet voor niets: hij zal de redder zijn van de gekwelde kinderen. Hij weet weg te lopen en na jaren via twee jongens in wie je zijn discipelen kunt zien, in een soort estafettewraak, brand te laten stichten. Met het gruwelklooster wordt Maria in de as gelegd: Brucia troia – brand jij maar, sloerie.