Een oorlog die nergens op leek

Voordat hij afgelopen jaar om het leven kwam bij een dom auto-ongeluk, voltooide David Halberstam een schitterende geschiedenis van een bijna vergeten oorlog; die in Korea.

Op 5 juli 1950 verlaten Amerikaanse infanteristen het station van Taejon, Zuid-Korea, op weg naar het front. Foto AP American foot soldiers leave the railroad station at Taejon, South Korea, en route to the battle front, July 5, 1950. (AP Photo/stf) Associated Press

David Halberstam:The Coldest Winter. America and the Korean War. Hyperion Books, New York 719 blz. € 30,–

Van de drie grote oorlogen die Amerika na de Tweede Wereldoorlog heeft gevoerd, verwijzen ‘Vietnam’ en ‘Irak’ elk naar tijdperken met een eigen kleur, een eigen klimaat, een eigen cultuur en een eigen geschiedenis. ‘Korea’, hun eerste naoorlogse oorlog, verwijst naar niks. Wie Hanoi of Saigon zegt, roept nog altijd het beeld op van Parijs ’68, van welvaartskinderen, van studentenvrijheid, van de verbeelding aan de macht, en van de smadelijke aftocht van Richard Nixon. Zeg Bagdad (of in één adem Kabul) en je ziet zelfmoordenaars en hoort imams. Maar zeg Yalu of Pusan en het blijft sneeuwen op het scherm van de herinnering. ‘Korea’ roept geen enkele associatie meer op.

De Koreaanse oorlog heeft aan de geschiedenis waarschijnlijk ook even weinig afgedaan als toegevoegd. De wereld zou er niet anders hebben uitgezien als hij niet was uitgebroken, er is niets door teweeggebracht dan de patstelling langs de 38ste breedtegraad die er de facto ook al was vóór de Noord-Koreaanse troepen van Kim Il Sung in juni 1950 de grens met Zuid-Korea overschreden, en binnen de kortste keren de hoofdstad Seoel en bijna de hele rest van het schiereiland hadden veroverd, Maar er zijn wel 44.000 Amerikaanse militairen voor gesneuveld, plus naar schatting vier- of vijfhonderdduizend Koreaanse burgers. Harry Truman heeft lang volgehouden dat het geen oorlog, en in elk geval geen Amerikaanse oorlog was. Hij noemde het koppig, maar formeel ongeveer naar waarheid, een politie-actie van de Verenigde Naties.

Bijna niemand zou dat meer geweten hebben als David Halberstam, kort voor hij een jaar geleden bij een dom auto-ongeluk in Californië stierf, niet The coldest winter had voltooid, een boek over Amerika en die troosteloze, koude, in een onherbergzaam land uitgevochten en ook in de Verenigde Staten vrijwel vergeten oorlog.

Een schitterend boek, laat dat eerst maar even gezegd wezen. Geschreven zoals alle boeken van Halberstam zijn geschreven, of ze nou over de jaren vijftig gingen (The fifties), over de dagen van Kennedy (The best and the brightest), of over de honkbaloorlog tussen de New York Yankees en de Red Sox uit Boston (Summer of ’49): altijd met groot ontzag voor de feiten, met liefde voor het detail en met zorg voor zinnen waarin nooit iets voorkwam dat aan een stoplap deed denken. Verslaggever? Romanschrijver? Historicus? Hij was het alle drie. In Amerika heeft niemand op dat punt ook ooit ponteneurig gedaan.

Journalist was Halberstam als hij het leven beschreef van de mannen in het bijna altijd verschrikkelijke veld. Hun lot- gevallen vertelde hij zoals het betaamde in een land waar Hollywood was uitgevonden: bij voorkeur vanuit het perspectief van één of twee zorgvuldig gekozen hoofdpersonages die het publiek blijft herkennen. De methode is beproefd. Telkens als je de twee als lezer even zou dreigen te vergeten, voerde Halberstam ze weer op – ander camerastandpunt, andere belevenis, ander significant stukje front. Zelden is er iets in de buurt dat op het hospitaal uit M*A*S*H lijkt, een film (en later televisieserie) die trouwens in Vietnam had moeten spelen, maar die in 1970 om anti-Vietnamsentimenten te omzeilen zogenaamd in Korea werd gelokaliseerd.

Halberstam slaagde er in een oorlog die Amerika niet zo zeer vergeten als wel verdrongen had, uit het diepst van ieders geheugen terug te brengen naar de tijd waarin het land al weer twee oorlogen verder was – werk van de historicus. De geschiedschrijver begint met de lezer er aan te herinneren dat Amerika in 1950 absoluut niet op een (nieuwe) oorlog in dat verre Azië was voorbereid, en hij schrijft:

‘Harry Truman zag er ontzettend tegenop de opperbevelhebber te worden in een oorlog die hij niet wilde, in een deel van de wereld dat zijn veiligheidsadviseurs niet van belang hadden gevonden, en afhankelijk van een commandant te velde die hij niet mocht, en die op diens beurt op hém neerkeek.’

Harry Truman was de in die tijd onderschatte president, die in 1948 (na in 1944 de overleden Franklin Roosevelt te hebben opgevolgd) op het nippertje zijn eerste eigen verkiezingen had gewonnen van de Republikein Thomas Dewey. De commandant te velde was Douglas MacArthur die sinds het winnen van de Pacific War tegen Japan als plaatsvervangend heerser in Tokio eigenlijk goddelijker was geworden dan de in 1945 van zijn goddelijkheid beroofde keizer Hirohito.

Truman en MacArthur – dat worden in Halberstams volumineuze boek (en allicht volumineus: studie, verslag èn drama tegelijk) de antipoden in een even bittere als adembenemende strijd om de macht, en in feite om de vrede. De generaal had zich gedurende de Tweede Wereldoorlog al laten kennen als een sluwe potentaat, de ‘natuurlijke’ vijand van Washington bovendien. Hij zou meteen al in 1952, zonder veel succes, weliswaar een gooi doen naar het Witte Huis, maar politici, dus ook de presidenten onder wie hij had gediend, heeft hij altijd geminacht. Roosevelt onthief hem in 1942 van het opperbevel in het Verre Oosten. Negen jaar later, toen hij omzichtige wapenstilstandsonderhandelingen voor Korea probeerde te saboteren, en China met een oorlogsverklaring en zelfs met atoomwapens dreigde, riep Truman hem terug uit al zijn functies. Hij werd als een held in New York binnengehaald en mocht met nauw verholen kritiek aan het adres van de politiek zelfs het Congres toespreken, maar een jaar later was hij, net als Korea zelf, door de Amerikanen min of meer uitgewist. Old soldiers never die, had hij zijn publiek en zichzelf pathetisch voorgehouden, they just fade away. En inderdaad.

Het titanengevecht waaraan Halberstam zijn boek in zekere zin heeft opgehangen, voltrekt zich tegen de achtergrond van een duistere, en in veel opzichten vooral bizarre oorlog. Het begon in de zomer van 1950 al absurd, met de noordelijke overval die Zuid-Korea in een paar weken tijd van de kaart veegde, op een bruggenhoofd rond de zuidoostelijke havenstad Pusan na. Twee maanden later waren de krijgskansen totaal gekeerd. Een Amerikaanse amfibielanding achter de linies dwong de communisten zich terug te trekken. In september was Seoul alweer heroverd. Toen ijlden in november – het was nog altijd 1950 – over de rivier de Yalu honderdduizend of meer Chinese ‘vrijwilligers’ hun Noord-Koreaanse broeders te hulp en kreeg de oorlog zijn zoveelste nieuwe gezicht.

Waar leek het op? In geen geval op de Europese oorlog tegen Hitler of de Aziatische tegen Japan, want die verliepen allebei in een zekere rationele volgorde waarbij eerst de ene, en daarna de andere partij het beslissende initiatief had. Wat in korte tijd in Korea gebeurde deed het meest denken aan de Spaanse linies binnen de grote napoleontische oorlogen: de plek waar Joseph Bonaparte het probeerde te winnen van Wellington. ‘Korea’ was eigenlijk een oorlog die al uit de tijd was toen hij begon.

Drie boeken in één – allemaal echt gebeurd, en het leest als fictie. En maar één moment waarop de lezer zich vanuit 1950 even in het begin van de 21ste eeuw kan wanen, namelijk in de prachtig beschreven ontknoping van het duel tussen Truman en MacArthur, waarbij we (republikeinse) haviken zien passeren die ons bekend voorkomen.

Godzijdank was er toen een president als Truman. En godzijdank hadden we tot vorig jaar een David Halberstam die zo zorgvuldig en zo helder mogelijk de processen beschreef waarin dingen van leven en dood soms mis kunnen gaan.

Dat superieure boek over Irak zal hij helaas niet meer schrijven.