DRIE KINDEREN VERBEELDEN HUN FANTASIE

Guus (9)

zou het liefst een zeemeerman zijn. Eigenlijk zijn hele leven al. De eerste mannetjes die hij tekende, hadden meer een vissenstaart dan benen. De kamer van Guus lijkt wel een onderwatermuseum. Overal zijn plaatjes en poppetjes van zeemeerminnen en zeemeermannen. Boven zijn bed hangen netten en schelpen. Guus haakt zelf wollen zeewierpruiken. Zeemeermannen kunnen heel hard zwemmen, zegt hij. ‘Zo hard dat je alleen belletjes ziet.’ Heel hard, dus. ‘Ik denk acht kilometer per seconde.’ Zeemeermannen zijn ook heel sterk. ‘Ze beschermen koning Triton.’ Guus zou zelf wel een zeemeermankoning willen zijn. ‘Maar niet met zo’n lange baard. Die zuigt heel veel water op en wordt dan heel zwaar.’

Floris (6)

woonde vroeger in Ethiopië. Daar had Floris een onzichtbaar vriendje, Koya. Samen speelden ze tikkertje in de tuin rondom het huis. Max en Sam, de honden, deden ook vaak mee. Koya kon hele gekke bekken trekken. ‘Zó’, zegt Floris met hele schele ogen die ook nog eens op en neer gaan. En Koya vertelde grappige verhalen. ‘Over twee apen die in een boom zaten. En toen vielen ze eruit. En toen kregen ze allemaal kokosnoten op hun kop. Haha.’ Hoe oud Koya is, weet Floris niet. Wel dat ze even groot zijn. En dat Koya donker is, net als de mensen in Ethiopië. Hoe ziet Koya er verder uit? ‘Gewoon, in een pak. Met een grijze broek en een stropdas.’ Nu woont Floris in Amsterdam. Heel soms komt Koya nog langs, zegt hij. ‘Met zijn vriend. Een zeemeeuw. En dan vliegt hij op de zeemeeuw hierheen. Boven de zee.’ Daar komen ze dan aanvliegen, wijst Floris uit het raam: ‘Waar al die andere meeuwen zijn.’ Daar in de verte, over het IJ.

Isabelle (8)

bedenkt zelf spelletjes. Tikkertje in het donker bijvoorbeeld, en spioneren. Het leukst vindt Isabelle het dierenspel. Dan kun je in elk dier veranderen wat je maar kunt bedenken. ‘En als je een paard bent, en ze willen je vangen met een net, dan verander je zo in een mier.’ Je kunt ook hele gevaarlijke dieren zijn. ‘Tijgers, salamanders en slangen, of een cheetah. Ik vind het zo leuk. Ik hou zo veel van dieren.’ Het liefst is Isabelle een draak. ‘Die heeft zo’n mooi lichaam. Op school speel ik ook weleens een draak. Dan blaas ik bollen vuur in mijn handen, heel boos. En dan boks ik het weg. Zo, whoeiii!’ Soms speelt Isabelle ook ‘onzichtbaar-iemand-niet-op-de-grond’. Hartstikke moeilijk, want als je de grond raakt, ben je af en niemand mag je zien. Dan is ze meestal een poes die van boom tot boom springt. Bij Isabelle thuis hebben ze wel vijf poezen. ‘Jippie, Bolko, Solo en Lila. En Roosje, dat is de liefste.’