De verbeelding blijft de geesten verdelen Sarkozy is net begonnen aan zijn anti ’68 revolutie

Veertig jaar geleden braken in Parijs onlusten uit onder studenten die leidden tot een politieke en culturele ‘revolutie’ in Europa. Eerste deel van een serie.

Forget 68, zo heeft Daniel Cohn-Bendit zijn nieuwe boek over de Parijse revolte van mei 1968 genoemd. Op de omslag staat een beroemde foto van hemzelf, olijk grijnzend tegen een gehelmde agent. Toen heette hij nog Dany-le-Rouge: de roodharige en in nieuwe roodtinten denkende voorman van een studentenrevolte die nog altijd tot de verbeelding spreekt.

Vergeet ’68? Het boekje staat er nogal ironisch bij in het rek ‘actualiteit’ van de grootste boekenhandel van Parijs, de FNAC. Even tellen: eromheen staan 43 andere boeken over mei 1968. En dat is dan zonder de dvd’s met historische beelden en geluiden, de talloze documentaires op tv, de talkshows en de tentoonstellingen, tot op het plein voor de Sorbonne waar de studenten destijds hun grootste veldslagen leverden.

Wie de plaatjes wil zien, kan bij elke kiosk terecht: van Le Monde tot het roddelblad VSD heeft iedere krant en tijdschrift zijn 1968-special uitgegeven. Of anders wel op internet, waar het audiovisuele archief INA een speciale 68-site heeft opengesteld.

Nee, Frankrijk is mei 1968 niet vergeten. Wil het ook niet. Het land gaat zich dit voorjaar juist te buiten aan de meest massale herdenking tot nu toe van zijn laatste ‘revolutionaire moment’. Cohn-Bendit, tegenwoordig fractieleider van de Groenen in het Europees parlement, mag het tegenwoordig dan liever hebben over de gewijzigde wereldverhoudingen, over energie, migratie, klimaat – zaken die in 1968 nog niet speelden. Maar Parijs gniffelt graag nog eens bij heruitgaven van een artikel van Le Monde uit maart 1968. Onder de kop ‘Frankrijk verveelt zich’ constateerde de krant dat de jeugd van Berkeley tot Rome en Praag zich druk maakte om Vietnam en de eigen samenleving, maar dat de Franse studenten in Nanterre actie voerden voor vrije toegang tot de meisjeskamers.

De balans, anderhalve maand later: Sorbonne bezet, wekenlange barricades in Parijs, tien miljoen stakende arbeiders, en een politieke crisis, compleet met de nog altijd mysterieuze ‘vlucht’ van president De Gaulle naar een militaire basis in Duitsland. Met ‘Mai 68’ had Frankrijk zich weer even in het brandpunt van de wereld gedrongen.

Maar niet alleen trots en nostalgie verklaren de plotselinge opbloei van de aandacht. Na enkele tientallen jaren waarin de ergernis van ’68 geleidelijk oubolliger leek, is ook de strijd over de interpretatie weer heviger geworden. André Glucksmann (71), een van de filosofen van mei 1968 en nu een intellectueel die president Sarkozy inspireert, brengt de herdenkingslust vandaag in deze krant in verband met het gestolde denken bij Frans links. „Mei ’68 is op de tombe van Lenin gaan lijken: niet aankomen, niet verplaatsen, dit is privébezit van links.”

Met zijn zoon en documentairemaker Raphaël Glucksmann (28) verdedigt hij mei 1968 als een liberale beweging, die van Frankrijk nog altijd niet het open kosmopolitische land heeft gemaakt dat het worden moest.

Een heel ander 1968 doemt op in het bakstenen paleis van de rode vakbond CGT, aan de rand van Parijs in de voorstad Montreuil. Mei ’68 is het meest recente bewijs dat sociale revolte nog altijd mogelijk is in Frankrijk, blijkt hier. „Nergens ter wereld gingen jeugdrevolte en sociale revolutie samen zoals in Parijs”, vertelt een trots bord in de CGT-hal. Op het podium waarschuwt toenmalig CGT-leider Georges Séguy (81): ,,Dezelfde hoop en woede die toen in de lucht hing, drijft nu de scholieren opnieuw de straat op”. De zaal klapt en juicht. Huidig CGT-leider Thibault, die juist de pensioenhervorming van de regering-Fillon heeft afgewezen, belooft dat 2008 weer een druk protestjaar wordt. Weer klappen, weer juichen.

[Vervolg PARIJS: pagina 5]

PARIJS

Sarkozy is net begonnen aan zijn anti ’68 revolutie

[Vervolg van pagina 1] Dan begint een verre nazaat van Cohn-Bendit, de huidige studentenleider Bruno Julliard (27), te zuchten. „Natuurlijk zijn we erfgenamen van 1968”, zegt hij. „Maar die eeuwige vraag waar ‘ons ’68’ blijft, legt een zware last op onze schouders.” De massawerkloosheid onder jongeren, de nieuwe ‘bestaansonzekerheid’ maakt volgens Julliard dat de jongeren van nu met minder vreugde en verwachtingen de straat op gaan. „Geef ons een beetje ruimte voor óns verzet”, vraagt hij.

Die ambivalentie over 1968 keert vaker terug. Zie de liberaal Raphaël Glucksmann. Hij wil zijn landgenoten graag aansporen om „wat meer 68’ers te worden” – lees: opener, kosmopolitischer. Maar de straat opgaan zoals toen, vindt hij belachelijk . „Dat is het museum-Frankrijk”

Zie ook president Sarkozy. Een jaar geleden beloofde de presidentskandidaat, in zijn laatste grote toespraak voor zijn verkiezing, de erfenis van ’68 te ‘liquideren’. Hij richtte zijn kritiek op ,,het intellectuele en morele relativisme van ’68”, dat hij de schuld gaf van de teloorgang van het Franse onderwijs, maar ook van onbekommerd winstbejag, topbeloningen en de opkomst van „het cynisme in de politiek”.

Een jaar later heeft Sarkozy inderdaad een begin gemaakt met zijn anti-’68-revolutie. Deze week presenteerde de minister van Onderwijs Xavier Darcos het nieuwe programma voor de basisschool: minder aandacht voor ‘68-waarden’ als individuele ontwikkeling, ten gunste van basisvaardigheden als taal en rekenen.

Maar ondertussen is Sarkozy zelf uitgegroeid tot een symbool van 1968. Sarkozy? „Jouir sans entrave”, zo haalden Cohn-Bendit deze winter maar weer eens een 68-leuze naar boven. De dubbele betekenis – genieten zonder grenzen, maar ook ongeremde seksuele bevrediging – verwees zowel naar Sarkozy’s zichtbare plezier in machtsuitoefening als naar zijn roerige privéleven na een echtscheiding. Glucksmann prijst Sarkozy’s „liberale verhouding tot staat en geschiedenis”. Anderen wezen erop dat Sarkozy, al eerder gescheiden, zoon van een Hongaarse migrant, nooit president zou hebben kunnen worden zonder de zedenrevolutie die 1968 ook symboliseert.

Sarkozy benoemde ook een prominente vertegenwoordiger van de ’68-generatie op een belangrijk ministerie. Bernard Kouchner, in 1969 oprichter van Artsen zonder Grenzen, verliet de socialistische partij om minister van Buitenlandse Zaken te worden. Hoewel hij al jaren bovenaan eindigt in populariteitspeilingen, kreeg de centrum-linkse Kouchner nooit echt voet aan de grond bij de PS. Zijn partij wilde altijd een open oog houden voor extreem-links – Frankrijk heeft de sterkste trotskistische beweging van Europa. Oók een erfenis van ’68.