De totaal rare dichtbundel van Kees ’t Hart

Kees ’t Hart: Ik weet nu alles weer. Gedichten. Querido, 78 blz. € 16,95 *****

Soms verschijnt er een dichtbundel die helemaal totaal raar is en nergens op lijkt, een bundel die op een uitbundige manier lak heeft aan alle andere poëzie, een bundel die je vrolijk maakt, omdat er gedichten in staan met regels als: Nee tegen de briefkaart / Nee tegen de uitwedstrijd / Nee tegen de woordspeling / Nee tegen het behang

En dat het hele gedicht vier pagina’s zo doorgaat. Echt veel te lang. Uiteraard veel te lang, want het gedicht heeft lak aan alles. Het gedicht laat zich lezen als een parodie op allerhande protestsongs of op het gedicht van Simon Vinkenoog dat ‘Volmondig ja’ heet. Maar toch is het meer dan een parodie. Het is een soort lachwekkend anti-gedicht en het is op een merkwaardige manier ook ontroerend, omdat de stem van de man die nee roept tegen allerhande onontkoombaars, steeds potsierlijker en hulpelozer begint te klinken.

Het gedicht komt uit Ik weet nu alles weer van Kees ’t Hart. Het verbaast mij dat dit pas zijn tweede bundel is. De gedichten zijn met zo veel vaart en merkbaar plezier geschreven dat je zou verwachten dat deze dichter elk jaar met een bundel komt. Dat is dan ook mijn voornaamste kritiek op deze poëzie: we hebben er veel te lang op moeten wachten.

Veel van de gedichten zijn anti-gedichten op de manier zoals het gedicht ‘Nee’ dat is, waaruit ik zojuist citeerde. Het zijn gedichten die zichzelf niet serieus nemen. Het groteske gedicht ‘Willy Alberti’, dat eigenlijk over Willeke Alberti gaat. Het begint zo: ‘Willy zie ik Willeke / Dan denk ik steeds aan jou / Dan denk ik aan je denken / Omdat ik dat ook wou / Je was bij mij gekomen / Omdat ’k al bij je was / Niemand hield je tegen / Je was van glimmend glas.’

Met groot vakmanschap heeft ’t Hart een ontzettend amateuristisch en onbeholpen gedicht geknutseld. Dit is een gedicht waar met opzet alles fout aan is: mislukte regels als ‘Dan denk ik aan je denken’, die niets betekenen, klunzige rijmdwang, houterig metrum, onnavolgbare neplogica. En toch is het een goed gedicht, omdat het een wankel evenwicht bewaart tussen de opzettelijke onbeholpenheid en de oprechte wil te ontroeren. Daarbij zorgt de bizarre onderwerpskeuze voor een vrolijk contrapunt.

Mijn favoriete gedicht uit deze vrolijke bundel is ‘Het leven van Franciscus’, een lang, episch en onweerstaanbaar grappig gedicht, waarin Franciscus van Assisi aan ’t Hart verschijnt en hem de opdracht geeft zijn levensverhaal op te schrijven. Het gedicht is in een soort nep-profetentaal geschreven, waarbij de verheven toon bij voortduring wordt verstoord door citaten uit banale liedjes, zoals ‘Toen wij uit Assisi vertrokken / Vertrokken wij uit Assisi’.

Ik weet nu alles weer is de meest bizarre en grappigste bundel die ik in tijden heb gelezen.

Ilja Leonard Pfeijffer