De klappen in Uruzgan

Zeker, Nederland heeft niet het Leger des Heils naar Uruzgan gestuurd. Een Nederlandse troepenmacht daar kan zich niet overdreven preuts gaan gedragen. Toch is het van principieel belang dat de Nederlandse NAVO-missie in Afghanistan haar werk doet binnen bestaande internationale verdragsrechtelijke kaders van de Conventie van Genève. Het ‘oorlogsrecht’, om die paradoxale term te gebruiken, staat niet toe gevangenen over te dragen aan een derde partij als duidelijk is dat zij slachtoffer kunnen worden van gewelddadig optreden. Uit onderzoek van NRC blijkt nu dat er vraagtekens geplaatst kunnen worden bij de behandeling door Afghaanse autoriteiten van door Nederland overgedragen gevangenen. Ook is het de vraag of het kabinet hierover voldoende duidelijk is geweest in zijn rapportage aan de Tweede Kamer.

Het parlement heeft terecht steeds een punt gemaakt van de correcte behandeling van tegenstanders die tijdens buitenlandse militaire operaties in Nederlandse handen vallen. In de meest recente rapportage van de ministers van Defensie, Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking aan de Kamer, van 15 februari, wordt melding gemaakt van de klacht van een gevangene die zou zijn geslagen tijdens een ondervraging door een militair van de Nederlandse missie. Deze klacht is gemeld aan het Openbaar Ministerie en wordt onderzocht door de Koninklijke Marechaussee. Mocht de klacht gegrond blijken dan zijn maatregelen tegen deze militair op hun plaats. De norm moet voor iedere uitgezonden soldaat glashelder zijn.

Maar het kabinet schreef ook dat in december vorig jaar en januari dit jaar bij bezoeken aan overgedragen gevangenen in Kabul en Tarin Kowt „geen ernstige misstanden zijn geconstateerd”. Uit stukken van de betrokken ministeries blijkt nu dat er wel gevangenen zijn die meldden dat zij zijn geslagen door de Afghaanse geheime dienst. Het is op zijn minst verontrustend dat de rapportage van het kabinet die klachten niet vermeldt. Het is aan de Tweede Kamer om de ernst van deze mogelijke misstand te beoordelen. De geschiedenis van het ‘gooien met water’ naar gevangenen in Irak is nog niet vergeten.

Sterker: Amnesty International heeft de NAVO-missie in Afghanistan vorig jaar beschuldigd van medeplichtigheid aan marteling door het overdragen van gevangenen aan Afghaanse autoriteiten. De reactie van de Nederlandse regering was eind vorig jaar dat het rapport „geen aanleiding gaf een moratorium in te stellen op de overdracht van door Nederland gemaakte gevangenen aan de Afghaanse autoriteiten”. Voor de Canadese regering was één klacht voldoende om dat wél te doen.

Het kabinet dient nu de Tweede Kamer duidelijkheid te verschaffen over de klachten van gevangenen, zodat de volksvertegenwoordiging zich een beeld kan vormen van de ernst ervan. En het zal de optie van een moratorium nadrukkelijk moeten overwegen. De norm dient immers ook voor iedere betrokken politicus glashelder te zijn.