Dank voor de meisjesstemmen

Na de dood van Willy Alberti verscheen Franciscus van Assisi aan Kees ’t Hart. Over een zeer ongewone poëziebundel.

Kees 't Hart Tekening Peter van Dongen Dongen, Peter van

Kees ’t Hart: Ik weet nu alles weer. Gedichten. Querido, 78 blz. € 16,95

Het komt heel weinig voor, maar soms gebeurt het dan toch en dat is op zich al een reden voor een feestje. Soms verschijnt er een dichtbundel die helemaal totaal raar is en nergens op lijkt, een bundel die op een uitbundige manier lak heeft aan alle andere poëzie, een bundel die je vrolijk maakt, omdat er gedichten in staan met regels als:

Nee tegen de briefkaart

Nee tegen de uitwedstrijd

Nee tegen de woordspeling

Nee tegen het behang

En dat het hele gedicht vier pagina’s zo doorgaat. Echt veel te lang. Uiteraard veel te lang, want het gedicht heeft lak aan alles. Het gedicht laat zich lezen als een parodie op allerhande protestsongs of op het gedicht van Simon Vinkenoog dat ‘Volmondig ja’ heet, ook veel te lang is, en eindigt met de verzen: ‘ja tegen het nooit voleindigde/ ja tegen de kop en de staart, de spieren en de zenuwen, de huid en de organen/ ja ja ja driewerf ja tegen het kijkplezier in je ogen/ ja, volmondig ja tegen de magie en de mateloosheid van het bestaan/ ja, tenslotte, ja tegen onze onvergetelijke feesten.’ Maar toch is het meer dan een parodie. Het is een soort lachwekkend anti-gedicht en het is op een merkwaardige manier ook ontroerend, omdat de stem van de man die nee roept tegen allerhande onontkoombaars, steeds potsierlijker en hulpelozer begint te klinken.

Het gedicht komt uit Ik weet nu alles weer, de nieuwe dichtbundel van Kees ’t Hart. De meeste lezers zullen hem vooral kennen als romancier. Zijn romans De revue (1998) en Ter navolging (2004) hebben het geschopt tot de shortlists van de grote commerciële prijzen. Ook zijn boek over de voetbalclub Heerenveen heeft veel succes gehad. Ik weet nu alles weer is pas zijn tweede bundel, precies tien jaar na zijn debuut Kinderen die leren lezen, dat werd bekroond met de Ida Gerhardt Poëzieprijs. Het verbaast mij dat dit pas zijn tweede bundel is. De gedichten zijn met zo veel vaart en zichtbaar plezier geschreven dat je zou verwachten dat deze dichter elk jaar met een bundel komt. Dat is dan ook mijn voornaamste kritiek op deze poëzie: we hebben er veel te lang op moeten wachten.

Veel van de gedichten in deze bundel zijn anti-gedichten op de manier zoals het gedicht ‘Nee’ dat is, waaruit ik zojuist citeerde. Het zijn gedichten die zichzelf niet serieus nemen. Een van de meest bizarre voorbeelden is het lange gedicht ‘Spiegel’, dat geheel is opgebouwd uit schijnbaar willekeurig gekozen zelfstandig naamwoorden. Dan krijg je strofen als: ‘verfgezicht brood hel borstels/ droomspel wekker taalpees Venlo/ water marmer cross klopblok/ kettingziekte luit tepel gierbak’. En dat niet minder dan acht pagina’s lang.

Dit is een anti-gedicht omdat het heel erg doelbewust vermijdt precies dat te zijn wat van een gedicht normaal gesproken wordt verwacht. Er is geen betekenis en er is geen klank. Met grote precisie heeft de dichter precies die woorden bij elkaar gezet die geen enkel associatief verband toelaten. En met even grote vasthoudendheid heeft hij voorkomen dat er klankeffecten als alliteratie, assonantie, rijm of binnenrijm optreden. En elke zweem van metrum of ritme is de kop ingedrukt.

Andere gedichten zijn anti-gedichten op een andere manier, zoals het groteske gedicht ‘Willy Alberti’, dat eigenlijk over Willeke Alberti gaat. Het begint zo:

Willy zie ik Willeke

Dan denk ik steeds aan jou

Dan denk ik aan je denken

Omdat ik dat ook wou

Je was bij mij gekomen

Omdat ’k al bij je was

Niemand hield je tegen

Je was van glimmend glas

Met groot vakmanschap heeft ’t Hart een ontzettend amateuristisch en onbeholpen gedicht geknutseld. Dit is een gedicht waar met opzet alles fout aan is: mislukte regels als ‘Dan denk ik aan je denken’, die niets betekenen, klunzige rijmdwang, houterig metrum, onnavolgbare neplogica (‘Je was bij mij gekomen / Omdat ’k al bij je was’), de elisie van de i van ‘ik’ en volledig ontspoorde beeldspraak (‘Je was van glimmend glas’). En toch is het een goed gedicht, omdat het een wankel evenwicht bewaart tussen de opzettelijke onbeholpenheid en de oprechte wil te ontroeren. Daarbij zorgt de bizarre onderwerpskeuze voor een vrolijk contrapunt.

Andere gedichten lijken juist met opzet weer heel erg veel op bestaande poëzie, zoals het gedicht ‘Het leven van Frank Zappa’, dat een in toenemende mate ontsporende parodie is op de poëzie van Walt Whitman: ‘Ik dank Frank Zappa voor de intro bij de eerste hit van Corry / En de Rekels: Huilen is voor jou te laat / Ik dank Frank Zappa voor alle Mahlersymfonieën en voor / Het repertoire van Ronnie Tober [...] Ik dank hem voor de burgerluchtvaart / Voor de meisjesstemmen in de supermarkt’.

Mijn favoriete gedicht uit deze vrolijke bundel is ‘Het leven van Franciscus’, een lang episch en onweerstaanbaar grappig gedicht, waarin Fransiscus van Assisi aan Kees ’t Hart verschijnt en hem de opdracht geeft zijn levensverhaal op te schrijven. Al blijkt dat een ander eigenlijk de eerste keuze was: ‘Eerst koos ik voor Willy Alberti / Je was niet onze eerste kandidaat / Dat was Willy Alberti [...] Toen ging hij onvoorzien dood / En kwamen we bij jou / Omdat jij het nut van interpunctie / Overduidelijk bewees het wit / tussen de woorden wegliet en poëzie / Aan de poëzie overliet / We huilden van het lachen.’ Het gedicht is in een soort nep-profetentaal geschreven, waarbij de verheven toon bij voortduring wordt verstoord door citaten uit banale liedjes, zoals ‘Toen wij uit Assisi vertrokken / Vertrokken wij uit Assisi’.

Het is waar wat Franciscus zegt over Kees ’t Hart: hij laat de poëzie aan de poëzie over en we huilen van het lachen. Ik weet nu alles weer is de meest bizarre en grappigste bundel die ik in tijden heb gelezen.