Barack Obama en de silent majority

De waarheid duurt het langst. Maar in de politiek kan zij behoorlijk in de weg zitten. Vooral als zij in het verkeerde milieu ter sprake komt. Barack Obama verontschuldigde de kleine man uit het Midden-Westen voor diens conservatisme aan een fundraiser in San Francisco waar brie en chardonnay de stemming erin hielden. Dit was wat Obama zei: ,,In de stadjes van Pennsylvania – zoals in vele stadjes in het Midden-Westen – zijn in de afgelopen 25 jaar de banen verdwenen en niets is er voor in de plaats gekomen. (…) Elke regering sindsdien heeft gezegd dat deze gemeenschappen hoe dan ook op de been zullen worden geholpen en dat is niet gebeurd. Het verrast niet dat zij bitter zijn geworden, zij zoeken hun houvast in geweren of religie of antipathie tegen mensen die niet zijn zoals zij, of anti-immigrantensentiment, als een manier om hun frustratie te tonen.”

Obama’s progressieve gehoor op dat moment zal instemmend hebben geknikt. De omstandigheden maken de mens tot wat hij is, zo zal het hebben gedacht. Maar de mensen van wie de kandidaat sprak, waardeerden het minder, zoals bleek bij de uitslag van de recente Democratische primary in deze Amerikaanse deelstaat. Wapens zijn hun trots, hun geloof verdient geen commentaar. En dat zij niet dol zijn op vreemdelingen, is ook hun eigen zaak. Thomas Frank wijdde een boek aan de kloof die arbeiders van progressieve politici scheidt. In What’s the Matter with Kansas? stelt hij vast dat de economische teruggang en het banenverlies daar niet heeft geleid tot politieke bewustwording van de blue collar-stem, maar tot een hechtere band van het individu met religie en moraal. Obama had het kunnen weten.

De Amerikaanse politiek wordt meer bepaald door stemmingen dan door partijprogramma’s. Richard Nixon bijvoorbeeld deed in 1968 en opnieuw in 1972 een dringend en succesvol beroep op wat hij noemde de ‘silent majority’. De massa die zich had geërgerd aan vlagverbranding, studentenoproer op de campussen en zwarte opstanden in de binnensteden, voelde zich aangesproken. Zij had zich lang stilgehouden, maar zij was in de meerderheid. Hier was een president die haar een stem gaf. Dat Nixon tijd rekte bij het inlossen van zijn belofte zich terug te trekken uit het Vietnamese moeras nam de ‘majority’ op de koop toe. Tegenkandidaat George McGovern, verklaard criticus van de oorlogen in Indo-China, haalde bij de verkiezingen van november 1972 het slechtste resultaat ooit.

Amerikaanse politici zien een stemmingswisseling in het electoraat zoals die zich in de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw voltrok als een fundament voor nieuwe vastigheid. Duurzame coalities smeden zoals Franklin Delano Roosevelt lukte tijdens de crisis van de jaren 30 is sindsdien een beloftevolle politieke bezigheid gebleven. Roosevelt erfde een partij met wortels in het Zuiden van de raciale apartheid. Zelf was hij een telg uit de aristocratie aan de Oostkust. Zijn aanpak van de crisis bracht hem de steun van de vakbonden en daarmee van de blijvende loyaliteit van de blue collar-stem. Amerikanen van Ierse, Italiaanse of Poolse afkomst versmolten met joden, zwarten en zuidelijke blanken tot de politieke saamhorigheid die deze president in staat stelde vier opeenvolgende verkiezingen te winnen en tenslotte een Wereldoorlog tot een goed einde te brengen.

Met de woelingen binnen de Democratische partij van 1968 kwam er een einde aan die Rooseveltiaanse coalitie. Nixons silent majority was een antwoord op andere frustraties dan die van veertig jaar eerder. De gemiddelde Amerikaan zag het nationale fundament onder zijn voeten afbrokkelen, of althans dat meende hij te zien. Nixon werd de man van de zogenoemde zuidelijke strategie die beoogde blanke zuiderlingen, op de loop voor zwarte bevrijdingsmarsen, uit de gangbare Democratische coalitie los te weken en op te nemen in een nieuwe Republikeinse meerderheid. Watergate werd echter zijn Waterloo. (De president vermoedde daar de bewijzen te vinden van een Democratische samenzwering tegen zijn regering.) Maar de zuidelijke strategie overleefde hem.

In het voorjaar van 1980 hield Ronald Reagan een verkiezingstoespraak voor een gehoor van kompels in Pittsburgh, Pennsylvania, de historische vestigingsplaats van Amerika’s zware industrie. Van globalisering was nog geen sprake, maar van arbeiderszorgen wel. Reagan sprak de juiste woorden en legde er het fundament voor zijn verkiezingszege in november – en voor twaalf jaar ononderbroken Republikeins bewind. Zogeheten Reagan-Democraten hielpen dit resultaat te bereiken. Nixons silent majority was intussen een zeer hoorbare geworden en de decibels zouden nog toenemen toen de neo-cons van Bush jr. de macht in Washington veroverden.

En nu dan Obama. Ook nu weer de verwachting van een doorbraak, tenminste nog aan het begin van het primary-seizoen. Obama, de African-American zonder wortels in de slavernij die de zwarte minderheid nog steeds traumatiseert (luister naar Obama’s dominee Jeremiah Wright), werd tot voor kort in staat geacht blank en zwart te binden aan een nieuw concept van wat Amerika niet is maar zou moeten zijn en misschien zou kunnen worden. Zijn aantrekkingskracht zou zogeheten Onafhankelijken en Republikeinen met een afkeer van alles wat Bush jr. zoal heeft gedaan, bijeen brengen in een Democratische beweging die hem het Witte Huis zou binnenvoeren.

Maar zijn slecht begrepen woorden over blanken in de verdrukking dreigen hem nu deze prijs uit handen te slaan.

J.H. Sampiemon is medewerker van NRC Handelsblad.

Reageren kan op nrc.nl/sampiemon