Babyboomers als voetvolk

Michelle Zancarini-Fournel: Le moment 68. Une histoire contestée Seuil, 320 blz. € 20,90

Jean-François Sirinelli: Mai 68. L’événement janus Paris, Fayard, 332 blz. € 19,–

Ontsnappen aan Mei ’68? Vergeet het maar! Veertig jaar na dato is de roemruchte revolte uit 1968 uitgegroeid tot een van de ijkpunten van de recente Franse geschiedenis. Net zoals de Eerste en Tweede Wereldoorlog en de dekolonisatie van Algerije (1954-1962). Mei ’68 is namelijk ook actueel, omstreden en zowel moreel als politiek geladen. Tijdens de Franse verkiezingscampagne van 2007 wilde Nicolas Sarkozy de erfenis van de meirevolte, die hij gelijkstelde met multiculturalisme en hedonisme, liquideren. Eenmaal verkozen tot president benoemde hij Bernard Kouchner, socialist en vleesgeworden erfgenaam van de ‘esprit 68’, tot minister van Buitenlandse Zaken.

De belangstelling in de aanloop naar de 40ste herdenking is ronduit overweldigend. Vergeleken met de 30ste verjaardag in 1998 zijn er nog meer conferenties aangekondigd, worden nog meer documentaires uitgezonden en verschijnen nog meer boeken. Dominant is nog altijd de interpretatie van een Parijse revolte die ontvlamde in de universiteit, oversloeg naar de maatschappij en uitmondde in een kortstondige politieke crisis. Studenten en scholieren gingen als eersten de straat op. Zij eisten vrij verkeer tussen jongens en meisjes in studentenflats en een einde aan de formele verhoudingen in universiteiten en scholen. Ze inspireerden beroepsgroepen als verpleegsters, arbeiders en journalisten. Hun roep om meer democratie ging gepaard met eisen om loonsverhoging. Een grote staking legde het openbare leven stil. President De Gaulle vluchtte naar Baden-Baden. Bij zijn in Duitsland gelegerde troepen verzekerde de oude generaal zich van steun voor het geval communisten en socialisten in Frankrijk de macht wilden grijpen. Zover kwam het niet. Integendeel: de revolutionaire droom van een nieuwe samenleving spatte uiteen. Vervroegde verkiezingen in juni 1968 leverden een monsteroverwinning op voor de gaullisten.

Tegenwoordig vegeteert de interpretatie van Mei ’68 als revolutionair, Frans moment alleen nog in libertaire en extreemlinkse kringen. Ronduit nostalgisch zijn de tientallen gelegenheidspublicaties die momenteel de markt overspoelen. Deze publicatiehausse fascineert, want het zegt vooral veel over de golf van ‘commémorite’ (herdenkingswaan) die over het hedendaagse Frankrijk slaat. Wie op zoek is naar nieuwere vergezichten kan dergelijke werken maar beter links laten liggen.

Tegenover het krachtige opblaaswerk door de herdenkingsindustrie plaatst Michelle Zancarini-Fournel een duidelijk complexer en gelaagder beeld van Mei ’68. De aan de universiteit van Lyon verbonden historica zet in Le moment 68. Une histoire contestée de bijl in de klassieke, naar plaats (Parijs) en tijd (mei-juni) beperkte interpretatie van de opstand. Ze borduurt voort op het idee van ‘les années 1968’ (de jaren 1968).

Aan de hand van dit mooie concept, dat zij met enkele collega’s in de jaren negentig bedacht, plaatst Zancarini de meibeweging in een perspectief op langere termijn en in een (inter)nationale context. Dit is interessant omdat Franse historici over het algemeen wat huiverig zijn de gebeurtenissen van 1968 ook van veraf te bekijken. Ze draaien liever rondjes rond het Quartier Latin. Zancarini besteedt voorzichtig aandacht aan de bredere bedding van de Sixties die van belang waren voor de Franse meibeweging, zoals protesten tegen de oorlog in Vietnam, de opkomst van de New Left, de ludieke acties van Provo of de Mexicaanse studentenbeweging.

Daarnaast benadrukt Zancarini dat de revolte vooral een culturele betekenis had: het ging om identiteit en zelfontplooiing. Ze trekt deze lijn door in haar hoofdstukken over representatie, herinneringscultuur en geschiedschrijving van de meibeweging. Ook vraagt ze aandacht voor nieuwe onderzoeksgebieden buiten het inmiddels uitgekauwde thema van de studenten- en arbeidersbeweging om. We weten nog altijd weinig van alternatieve groeperingen, zoals de beatnik-scene. Deze was ook aanwezig in de demonstraties van mei-juni 1968 maar is destijds door studentenleiders zoals Dany Cohn-Bendit niet serieus genomen en bleef vervolgens buiten de zoeklichten van de geschiedenis.

Een mooie aanvulling op Zancarini’s werk is Mai 68. L’événement janus van Jean-François Sirinelli. Voor de auteur, verbonden aan het Institut d’Études Politiques, zijn de twee kanten van dat janushoofd de volgende: voor progressief Frankrijk een democratische revolte, maar voor de silent majorityeen aanval op het republikeinse model.

Ook in de herinnering is dit dubbele gezicht terug te vinden: ‘les événements’ wekken immers zowel melancholie als afschuw op. De motor van ‘68’ is voor Sirinelli de opstand der jongeren. Maar de babyboomers vormden niet kop en staart van de beweging, zoals lange tijd is verondersteld. Oudere intellectuelen zoals Jean-Paul Sartre chaperonneerden de revolte. De kaders in de meidagen waren afkomstig van cohorten geboren rond 1940. Hun progressieve maatschappijvisie was geboetseerd in het verzet tegen de Algerijnse oorlog. Natuurlijk hadden de babyboomers een aandeel in de manifestaties, maar zij vormden vooral het voetvolk.

Afgezet tegen de amorfe stapel herdenkingsliteratuur bieden de studies van Jean François Sirinelli en Michelle Zancarini verfrissende alternatieven. Ze breken het Franse perspectief op de revolte van Mei ’68 enigszins open, al blijft deze gebeurtenis ook in hun ogen het middelpunt van het Sixties-universum. Er is kennelijk geen ontkomen aan.