Authentieke art brut

Wekelijkse speurtocht langs de grenzen van de slechte smaak.

In Vrij Nederland lees ik een stuk van Fleur Bourgonje over art brut. Hartstikke leuk. Ik wist niet dat Fleur daar van hield. Ze is zelfs helemaal naar het Weense Gugging art brut-museum gereisd. Waarom? Er is een tentoonstelling. Waarom daar? ‘Het begon allemaal in 1960 in de Heil- und Pflegeanstalt in Maria Gugging, niet ver van Wenen,’ schrijft Bourgonje. ‘Psychiater Leo Navratil, die vijfhonderd patiënten onder zijn hoede had, zag in de gedichten en tekeningen van chronisch schizofrene en psychotische mensen een verbazingwekkende authenticiteit.’

Ik geniet van deze zin. Hij is zo heerlijk overzichtelijk. We hebben art brut te danken aan de scherpzinnigheid van Leo Navratil. Klaar als een klontje. De zaak is rond.

Maar wacht eens! Ik loop naar de boekenkast en pak Een vergelijkend onderzoek naar de beeldende kunst van gezonden en geesteszieken door de Nederlandse psychiater Andries Kaas uit 1942. Ik weet niet hoeveel patiënten hij onder zijn hoede had, maar het is zonneklaar dat dokter Kaas als eerste in de gedichten en tekeningen van chronisch schizofrene en psychotische mensen een verbazingwekkende authenticiteit heeft gezien. Geen misverstand mogelijk. Ik ben opgelucht. De zaak is alsnog rond. We hebben art brut te danken aan de scherpzinnigheid van Andries Kaas. Een Nederlander nog wel! We glimmen van klontjesklare trots.

Voor de zekerheid voer ik een vierkantscontrole uit op het internet. Je wilt immers geen figuur slaan. Sapristie! Stuit ik me daar op de titel Bildnerei der Geisteskranken. Ein Beitrag zur Psycho-logie und Psychopathologie der Gestaltung (1922) van ene Hans Prinzhorn. Dit blijkt een psychiater annex kunstcriticus te zijn, die in 1919 te Heidelberg kunstuitingen van patiënten verzamelde en bestudeerde. Later zou dit uitgroeien tot wat tegenwoordig de Prinzhorn-collectie heet, die (na jaren weer) te zien is in Heidelberg (www.prinzhorn.uni-hd.de ). Waar brengt ons dit? Bij deze conclusie: we hebben art brut te danken aan de scherpzinnigheid van Hans Prinzhorn, de ijveraar en visionair die als eerste in gedichten en tekeningen van chronisch schizofrene en psychotische mensen een verbazingwekkende authenticiteit zag. De opluchting blijkt van korte duur. Ik aarzelde toch nog, en vond nu op internet de boektitel Ein Geisteskranker als Künstler (1921) door Walter Morgenthaler. Deze psychiater was Prinzhorn dus net een jaartje te vroeg af! Maar waar blijft de Franse psychiater Paul Meunier dan, schrijver van het boek L’art chez les fous (1907). Fleur, waar zijn we aan begonnen? Christus! Nu ja, het Meunierboek blijkt erg smalletjes aan de basis. Dan heeft Hans Prinzhorn het heel wat breder aangepakt.

‘Ik hou het op Navratil,’ zegt Fleur. ‘Denk ik.’

En als we het nu eens zo zouden formuleren: ‘Het is allemaal vóór 1960 in Europese psychiatrische klinieken begonnen, waar zielkundigen als Navratil, Prinzhorn, Kaas, Meunier en Morgenthaler een onbekend aantal patiënten onder hun hoede hadden, en in de gedichten en tekeningen van chronisch schizofrene en psychotische mensen als eerste een verbazingwekkende authenticiteit zagen.’

Kunnen we hier mee leven? Bourgonje, lezers? Kan ik er zelf mee leven? Want ik zit nu ineens lelijk in mijn maag met de verlichte Engelse zielenknijper Charles Hood, die als eerste een verbazingwekkende authenticiteit ontdekte in de art brut-schilderijen van Richard Dadd (1817-1886), een patiënt die hij onder zijn hoede had. Al in een artikel van 1853 (On the reading, Recration en Amusements of the Insane) waren de zegeningen van creatieve therapie bepleit. Hood probeerde het uit op Dadd, die levenslang in verzekering was gesteld na het kelen van zijn vader. Het leerde fantastische doeken op.

Fleur Bourgonje: ‘Maar waar begon het nou?’ Bij dit stuk gaat een illustratie uit Illustrations of Madness van de proto-psychiater John Haslam (1764-1844). ‘Hij dan? Is hij de eerste?’ roept Fleur.

Nee Fleur! Het was de eenzame pionier Leo Navratil. Als jij het zegt, dan is het klaar. Als een klontje.