Soms vochten ze ook tegen de vijand

Bij het onderzoek voor The Guns at Last Light, over de strijd van de geallieerden tegen de Duitsers, vond Rick Atkinson veel persoonlijke documenten. Zo ontstond een filmisch boek als slot van zijn trilogie.

Amerikaanse soldaten trekken op 31 januari 1945 op naar Murringen in België Hollandse Hoogte/US Army

Een boek met het laatste oorlogsjaar als onderwerp, op maaiveldhoogte beleefd door Amerikaanse soldaten. Dan ontrolt er meteen het projectiescherm van het geestesoog. Het zwart-wit van het Polygoonjournaal en de Deutsche Wochenschau begint te flikkeren, gevolgd door de Technicolor van speelfilms als The Longest Day en Saving Private Ryan en tv-series als Band of Brothers over de landingen in Normandië. Die scenarioschrijvers zullen alle hoogtepunten wel hebben gebruikt, denk je.

Dat is een vergissing, zo blijkt. Rick Atkinson, voormalig verslaggever van The Washington Post, weet in The Guns at Last Light uit archieven persoonlijke documenten te voorschijn te halen waarvan je denkt: hoe hebben al die filmmakers dat over het hoofd kunnen zien? Daarmee is dit boek een passend slot van Atkinsons Liberation Trilogy. Deel één, Army at Dawn, over de Amerikaanse inspanningen om de Duitsers uit Noord-Afrika te krijgen, ontving een Pulitzer Prize. Ook deel twee, The Day of Battle, een kroniek van de voortmodderende opmars van de geallieerden door Italië, kreeg unaniem lof.

Kanaaltunnel

Wat ik nog nooit in een film voorbij heb zien komen is bijvoorbeeld dat de Amerikanen serieus hebben onderzocht of het graven van een tunnel onder Het Kanaal niet een beter plan was dan het sturen van een invasievloot van duizenden schepen. Waar het idee op strandde, meldt Atkinson, was dat één van de beste Duitse legers aan de overkant zat te wachten tot de eerste mijnwerker met zijn lamp uit de grond kwam gewroet. Beeldend is de scène van de Duitse generaal Erwin Rommel, die na een briljante carrière als ‘woestijnvos’ in Afrika, de opdracht had een eventuele geallieerde landing terug de zee in te schieten. Wanneer de Amerikanen, Britten en Canadezen eenmaal écht op de stranden zijn geland, rijdt Rommel vanuit het achterland naar het front, vanwaar hij altijd zijn troepen heeft aangevoerd. Normandië naderend, draait Rommel zich vanuit de bijrijderstoel om naar zijn aide-de-camp op de achterbank en zegt: ‘Als ik al dat spul van de geallieerden tot mijn beschikking had gehad, dan stond ik in twee weken in Berlijn.’ IJzersterk citaat.

Ook mooi is de scène waarin lang gejaste Volksgrenadiers door de besneeuwde Anton Pieck-dorpjes van de Ardennen ploeteren, terwijl onwetende Amerikanen zijn neergestreken in een hotel in Spa. Hier is het Amerikaanse correspondentencorps aan een vroegtijdig Kerstfeest begonnen. Glazen champagne heffend marcheren ze in een slaapzaal kriskras over de bedden, ‘het lied scanderend waarvan [...] de eerste zin luidt: Monday I kissed her on the ankle.’

Atkinson schrijft filmisch, maar blijft oog houden voor de prozaïscher historische analyse. Zo ontleedt hij de onverwachte onbeholpenheid van de Amerikaanse logistiek. Uiteindelijk zijn er (bijna) altijd genoeg olie- en munitievoorraden, maar de voorbereidingen voor een onaangenaam harde winter aan de Frans-Duitse grens, schieten hopeloos tekort.

En dat is des te erger aangezien veel van diezelfde troepen zich al in Tunesië én vooral in Italië hadden laten verrassen door regen en sneeuw. In de Ardennen en de Elzas vrat de vrieskou harder aan de Amerikaanse gelederen dan aan de Duitsers – onder meer doordat de kleumende soldaten de opdracht kregen hun laarzen extra stevig in te snoeren: precies het verkeerde advies.

Men hoeft niet over alles complimenteus te zijn. Zo ontkom je niet aan de indruk dat Britten en vooral Fransen er bij Atkinson karikaturaal vanaf komen. Tegenover de extreem redelijke en diplomatieke opperbevelhebber Dwight ‘Ike’ Eisenhower staan de matig vechtende Britten, met de onbetrouwbare ‘vogelkop’ van maarschalk Bernard Montgomery voorop. Dat ‘Monty of Alamein’ een lichtjes autistische indruk maakte, was geen geheim, maar Atkinson wrijft het wel diep in.

Stripfiguren

Nog erger wordt het bij de Fransen die Atkinson hoofdzakelijk als Gallische stripfiguren behandelt. Generaal Leclerc kon generaal De Lattre de Tassigny niet luchten of zien. De laatste had zijn knopen geteld toen de collaborerende regering van maarschalk Pétain ophield te bestaan en was van kamp gewisseld. Leclerc had in een veel vroeger stadium zijn kaarten op de Vrije Fransen van De Gaulle gezet.

Hoewel de Franse divisies geheel afhankelijk waren van Amerikaanse bevoorrading, financiering en materieel vochten Leclerc en De Lattre de Tassigny elkaar de tent uit, wat hun slagveldprestaties geen goed deed. De coördinatie met de Amerikanen leed eronder, en kostte duizenden soldaten nodeloos het leven. ‘We hebben afgelopen maanden samen gevochten,’ telexte de Amerikaanse generaal Strong op een woest moment naar De Lattre de Tassigny, ‘soms zelfs tegen de vijand.’

Toch zijn dat slechts kanttekeningen bij dit derde deel van de Liberation Trilogy. Atkinsons stijl en diepgang stellen andere recente ‘finale’ boeken over het laatste oorlogsjaar, zoals Armageddon van Max Hastings en D-Day van Anthony Beevor in de schaduw. The Guns at Last Light is op zijn minst de director’s cut van alle voorgaande films. En het boek is nog veel beter.