Tijd voor grote schoonmaak in het Indiase hockey

Eens was hockey in India een grote sport. Nu is

deze sport in verval. De hockeyfederatie staat sinds gisteren onder curatele. Het WK van 2010 in Delhi staat op het spel.

Jangit Singh heeft overal in de wereld gespeeld. In Hamburg, in Bangkok, in Spanje, ook in Amsterdam, somt hij op. Maar het hoogtepunt van zijn carrière als hockeyinternational was het behalen van de gouden medaille op de Olympische Spelen in Tokio in 1964. In de finale versloeg India aartsrivaal Pakistan met 1-0.

Jangit Singh kijkt dromerig voor zich uit. Zoals bijna elke namiddag heeft hij zijn stoel voor zijn huis gezet, in Sansaput, een stadje met ruim 4.000 inwoners in Punjab. Zo kan hij, tegen de zon in, de spelers zien die aan de overkant van de straat aan het oefenen zijn op het zanderige veld van de Sansapur Hockey Assocation.

Erg vrolijk wordt hij er niet van. Ach ja, de jeugd van tegenwoordig, moppert hij. Ze kennen geen discipline, zoals hij in zijn jeugd. „Ik was alleen maar bezig met een bal en een stick. De jeugd van tegenwoordig kijkt liever op televisie naar cricket.”

Jangit Singh (65) behoort nog tot de gouden generatie van het Indiase hockey. Tussen 1928 (Amsterdam) en 1956 (Melbourne) werd India zes keer op rij olympisch kampioen. In 1960 (Rome) werd in de finale verloren van Pakistan, maar vier jaar later namen Jangit Singh en zijn teamgenoten revanche. Twintig jaar later wist India nog een keer goud te behalen, in Moskou tegen Spanje.

En nu? Voor het eerst in ruim tachtig jaar is India er niet in geslaagd zich te kwalificeren voor het olympisch toernooi. Tot schande van de natie. Jangit Singh zegt dat hij moest „janken” toen hij het hoorde. „Als mij dat vroeger als speler was overkomen, had ik me verzopen”, mompelt hij.

Maar ook in minder sportief opzicht is het Indiase hockey aan lager wal geraakt. Vorige week werd op televisie onthuld, met geheim opgenomen beelden, dat de secretaris van de Indiase Hockey Federatie bereid was een speler te laten selecteren voor het nationale team in ruil voor steekpenningen. Volgens de secretaris zelf was dat niet zo. Hij dacht dat het ging om een voorschot voor het organiseren van een groot toernooi. Maar er zijn maar weinigen die hem geloven, en die geloven dat dit geval van corruptie op zichzelf staat. „Het Indiase hockey is diep gezonken”, verzucht Jangit Singh.

Daarom is het nu tijd voor de grote schoonmaak. Gisteravond stelde het Indiase Olympisch Comité het Indiase hockey onder curatele en benoemde een ad hoc commissie – onder zware druk van de Internationale Hockey Federatie. Die had gedreigd de banden met de Indiase hockeybond te verbreken en de organisatie van het wereldkampioenschap in 2010 in Delhi van de agenda te halen.

Daarmee is nu ook het doek gevallen voor een van de markantste figuren in het Indiase hockey, onder wiens leiding het verval heeft doorgezet. Het gaat om de 73-jarige Kanwar Pal Singh Gill, India’s meeste gedecoreerde politieman die in het begin van de jaren negentig naam maakte in de harde strijd tegen separatistische sikh-extremisten in de deelstaat Punjab. Vijftien jaar geleden werd hij benoemd tot voorzitter van de hockeybond. Vorige week nog verklaarde hij niet van plan te zijn op te stappen. Weglopen is gemakkelijkste oplossing, zei hij. En: als een minister corrupt is, treedt toch ook niet de hele regering af. Maar gisteravond werd ook hij bedankt voor bewezen diensen.

De commentatoren zijn vrijwel unaniem in hun oordeel: dit ingrijpen is het laatste redmiddel voor het Indiase hockey en had al vele jaren eerder moeten gebeuren. Ook Sundeep Misra, hockeydeskundige en sinds kort als sportjournalist verbonden aan de commerciële nieuwszender NewsX, is die mening toegedaan. „Gill heeft bewezen dat terreurbestrijding iets anders is dan leiding geven aan een hockeybond”, zegt hij.

Gebrek aan visie en aan professionaliteit hebben het Indiase hockey de das omgedaan, zegt Sundeep Misra. Sinds het wereldkampioenschap in 1975 in Kuala Lumpur, dat India voor het laatst won, is er niets veranderd in de spelopvatting van het Indiase hockey, zegt Misra. Waar landen als Nederland, Australië, Duitsland en Spanje het spel hebben ontwikkeld, is India blijven steken in verwarring. „Nederland besefte het belang van goede coaching. Maar India heeft de afgelopen veertien jaar onder Gill liefst achttien coaches versleten”, zegt hij. „Twintig jaar geleden hadden we voortekenen moeten zien. Maar ze werden collectief genegeerd.”

Nu is het erop of eronder voor het Indiase hockey, dat volstrekt in de schaduw staat van het cricket. Met de komst van de nieuwe India Premier League heeft het Indiase cricket zich dit voorjaar sportief, bestuurlijk en commercieel vernieuwd. IJkpunt voor het Indiase hockey zijn volgens Misra de Olympische Spelen van 2012 in Londen. „Als India er opnieuw niet in slaagt zich te kwalificeren, is het afgelopen, vrees ik. Niet alleen voor het Indiase hockey. Als India en ook Pakistan wegvallen, wat blijft er dan nog over van het internationale hockey? Kijk alleen maar naar de televisierechten. Hoe interessant is het WK voetbal nog als Brazilië nooit meer doet?”

Daarom, zegt Sundeep Misra, is de Internationale Hockey Federatie nu ook in paniek en vorig jaar begonnen met een speciaal programma om het Indiase hockey weer op te been te helpen. „Veel te laat”, zegt hij. „Maar de schuld ligt natuurlijk bij India zelf.”

Op het zanderige hockeyveld van de Sansapur Hockey Assocation stuitert de bal hinderlijk. Sommigen wijten de teloorgang van het hockey aan het ontbreken van voldoende velden met kunstgras. Maar dat vindt Sundeep Misra flauwekul. „Dat is een flauw excuus. Ook in India zijn mogelijkheden genoeg. Als je je na dertig jaar nog niet heb weten aan te passen aan de nieuwe spelomstandigheden, moet je gewoon stoppen.”

In het verleden heeft Sansapur, waar hockey werd geïntroduceerd door de Britten, veertien olympische hockeyspelers voortgebracht. Die tijd komt nooit weer, weet Jangit Singh ook. In de jaren tachtig werkte hij enige tijd als dagloner in Engeland om aan de kost te komen. Zijn tulband had hij afgedaan en zijn haren geknipt. Hij schaamde zich en wilde niet herkend worden als ex-hockeyinternational, zegt hij. Nu heeft hij een treinpas en een pensioen van de staat. Zijn bekers staan in een vitrinekast, achter een gordijn. Zijn gouden medaille uit Tokio kan hij niet laten zien. Die ligt elders in huis, maar daar kan hij nu niet bij. „Want mijn vrouw is niet thuis.”