Rotterdamse kunstraad offert lievelingen voor aandacht

Kunstraden waarschuwen vaak beschaafd tegen bezuinigingen. De Rotter-damse raad koos voor een luidruchtige tegenaanval en speelt zo hoog spel.

Het subsidiejaar 2008 is met veel tumult geopend. In Amsterdam vroeg de kunstraad om 20 miljoen meer en in Rotterdam liet het adviesorgaan weten hoe drastisch je met een bezuiniging van 5 miljoen kan omgaan: door bijvoorbeeld publiekslievelingen als De Kunsthal en het Gergjev-festival te laten vallen.

Over twee weken volgen de landelijke adviezen, van de Raad voor Cultuur, en dan is te overzien hoeveel moeite de beslissers bij de overheden willen doen om de culturele ambities in Nederland levend te houden.

Want daar lijkt het toegepaste schokeffect toch vooral op te mikken: wethouders – en straks de minister – onder druk zetten.

Voorlopig werkt het. De Amsterdamse wethouder Gehrels beloofde meteen 5,5 miljoen extra. Niet genoeg, maar het kan een eerste stap zijn. In Rotterdam liet burgemeester Opstelten de wethouder van cultuur Orhan Kaya in allerijl toezeggen dat publiekslievelingen als De Kunsthal en het Gergjevfestival behouden blijven. Hoe dat moet gebeuren is nog de vraag: het advies moet gewoon door de gemeenteraad.

Kunsthal-directeur Wim Pijbes doorziet de strategie van de Rotterdamse kunstraad om aandacht voor de ongewenste bezuiniging te vragen wel, gezien zijn reactie, maar vindt deze ontoelaatbaar. „De Kunsthal is geen rouletteballetje om politieke spelletjes mee te spelen”, zei hij in deze krant.

Niettemin is het advies van de kunstraad een interessante manoeuvre, al is het maar omdat het niet eerder geprobeerd is. Kunstraden zijn altijd keurige adviseurs geweest, die min of meer in de pas liepen met de overheidsinstantie voor wie zij oordelen. Ze morren wel, wijzen ritueel op de wenselijkheid van meer geld, maar zoeken nooit de tegenaanval. De Rotterdamse raad wel. Onderhandelen werkte niet, brieven werden niet beantwoord, zegt de raad. Dit radicale advies legt bloot wat een kleine, sluipende bezuiniging van ‘maar’ 5 miljoen kan aanrichten.

De politiek heeft wensen, formuleert ambities en tooit zich graag met het fraais dat cultuur brengt. Er wordt met overgave gehamerd op de maatschappelijke verdiensten van kunst. Maar voldoende geld is er zelden.

Dit advies verbloemt dat niet. Door lievelingskinderen te offeren is het ook een mediagenieke zet en dat is eveneens nieuw in het eeuwige spel tussen politieke beslissers en hun adviseurs.

Een mediagenieke oorlogsverklaring lijkt tegenwoordig onontbeerlijk om problemen een gezicht te geven. Wie bekreunt zich anders om zoiets als een niet uitgevoerde inflatiecorrectie? Dat is een populaire sluipmoordenaar in dienst van wethouders, ministers en kunstraden, die zonder echt te liegen kunnen spreken over gelijkblijvende budgetten. Terwijl het de afgelopen drie jaar ging om bijna 5 procent en in de vier jaar daarvoor om ruim 11 procent geldontwaarding, volgens het CBS.

Het Rotterdamse advies kun je ook opvatten als werkweigering. De raad weigert de pijn te verdelen en kiest bewust voor onhaalbare oplossingen. Dat is hoog spel.

Pijbes heeft wellicht gelijk als hij zegt dat zijn instelling als zetstuk wordt gebruikt. Of het moreel aanvaardbaar is, is een vraag die anderen moeten beantwoorden, maar het doel moet toch duidelijk zijn. De burger, de ambtenaar en de politicus die de aard en omvang van de financieringsproblemen nu nog niet ziet, wil het niet begrijpen. Misschien gaan de instellingen, die in hun overkokende woede het vertrouwen in de raad hebben opgezegd, zelfs inzien dat de raad slechts de boodschapper is, en de politiek de bezuinigingen heeft bedacht.

De consequenties van dit hoog spel kunnen verstrekkend zijn. De raad overleeft alleen bij succes. Dan heeft de vernieuwende aanpak gewerkt. Maar zwicht de gemeente niet, dan staat de raad met lege handen en moet zichzelf opheffen. Een basis voor verdere samenwerking met de culturele instellingen ontbreekt in dat geval.