Dubbel genaaid

Je zult maar uitgenodigd worden voor een visreportage in Zuid-Amerika en fanatiek visser (zoet en zout water) zijn. Hoe een visreis naar het diepe rif Guaira Bank voor de kust van Venezuela kan uitlopen op een deceptie.

Het haventje met de tientallen motorkruisers van rijke Venezolanen.
Het haventje met de tientallen motorkruisers van rijke Venezolanen. Roorda, Piet

Uitleggen aan niet-vissers waarom vissen leuk is, is onbegonnen werk. Het is arme dieren pesten, zeggen ze dan. Maar een avond aan het Walcherse strand voor wat zeebaars in de pan, of een ochtend snoeken langs een Noord-Hollandse sloot, blijft verslavend. En een snoek krijgt dan wel een nare haak in zijn bek, maar die haal je zó los en daarna gooi je hem terug. Hij een slechte dag, ik een goede.

Wanneer een mannenblad vraagt of ik voor een reportage in Venezuela marlijnen wil vangen, is de bedenktijd dus nul. Gaan.

En vandaar dat ik me op de Guarimba bevind, een hagelwitte motorkruiser van schipper Wilmer, op dertig zeemijl uit de onzichtbare kust. We koersen boven de Guaira Bank, een diep rif waar marlijnen, zwaardvissen en ander waterwild achter scholen visjes aanjagen.

Het is alweer de tweede dag. Gisteren vingen we maar één tonijntje. Niet dat de zee hier leeg is. Maar er zijn zo veel prooivisjes dat de grote roofvissen weinig belangstelling hebben voor onze aasvissen die we aan lange lijnen achter de boot aantrekken. En overal rond de boot plonzen dolfijnen.

Wilmer roept vanaf de hoge brug. Hij heeft vogels zien duiken. Dat betekent: prooivis. En prooivis betekent: roofvis. Voor beter uitzicht klim ik van het achterdek naar de brug.

Op de trap zie ik in een ooghoek twee dolfijnen uit het water komen. Ik kan ze bijna aanraken. Dat leidt af. De Guarimba maakt een draai, tegen de oceaandeining in. Ik val.

Slowmotion. Een houten traptree splijt overlangs. Een metalen dwarsligger met twee uitstekende schroeven komt bloot te liggen. Een schroef dringt boven de linkerknieholte het been binnen. Mijn rechtervoet komt op het dek. Ik trek mijn linkerbeen bij. Het vlees scheurt over een centimeter of tien open. Tellen tot honderd. Het dek kleurt rood.

Wilmer gooit de gashendel terug en kijkt naar beneden. Hij veegt zijn vinger langs zijn keel: terug naar de haven. Een geknoopt T-shirt stelpt het bloed.

De Guarimba meert een uur later af tussen tientallen andere motorkruisers. Ze zijn van rijke Venezolanen die een vluchtweg naar Aruba willen hebben wanneer de revolutie uitbreekt.

Met de auto van Wilmer zijn we in een kwartiertje in een ‘gynaecologische kliniek’. Ook voor mannennood kennelijk. Na wat overleg kan ik in een kamer op een brancard gaan liggen.

De dokter komt langs. Op je buik. „My God”, zucht hij – hij is vast niet geslaagd voor de cursus patiëntengeruststelling. Zusters snellen toe.

De médico borstelt de wond schoon met iets dat aanvoelt als gootsteenontstopper waarna hij de gapende jaap met grove steken dichtnaait. De naald is krom, als een vishaak. En ja, een infuus met penicilline moet. En de zee weer op om te vissen is onverantwoord.

Dan staat John aan mijn bed. Hij is de Venezolaanse fixer van het organiserende visreisbureau. John regelt alles aan wal: transfers van het hotel naar de Guarimba, koek en zopie voor aan boord – en alle denkbare calamiteiten.

Hij kijkt naar mijn been, om zich heen en naar mij. „Je moet hier wel voor betalen”, zegt hij. Tja. Hoeveel kost dat nou? „Doe maar 250 bolivar”, zegt de fixer. Ongeveer 100 dollar.

Dat is goed, zeg ik, maar bolivars heb ik hier niet. Bovendien „ik wil niet van jou horen wat dit kost, maar van de dokter”. Tuurlijk, zegt John. Op dat moment weet ik dat ik iets verkeerds heb gedaan. Hij verdwijnt uit de kamer. Vijf minuten later komt John terug, met de dokter. Kost, surprise, surprise, 250 bolivar, zeggen ze nu allebei. Genaaid.

Goed, spartel ik, maar dat is voor de hele behandeling, inclusief controle morgen? Zeker, zeggen ze. En ik krijg toch wel een papier waarop staat dat ik op deze dag door die en die dokter in die en die kliniek ben geholpen, voor mijn verzekering, begrijpt u wel? Jawel, klinkt het aarzelend. Fixer en de dokter gaan weer vergaderen.

Een kwartier later komen ze terug. „Dat met dat papier gaat niet lukken”, zeggen ze.

En nu ze er nog eens over nadenken, zegt John: „Het is op ónze boot gebeurd, dus eigenlijk is ónze verzekering verantwoordelijk.” Die honderd dollar kan ik laten zitten.

Een zuster trekt het infuus eruit. Buiten staat de auto van John klaar. Hij rijdt me naar het hotel en zet me daar af. Of misschien kan ik beter zeggen: hij gooit me terug.