De dokter op de markt

Met de uitbreiding van het aantal opleidingsplaatsen voor huisartsen en medisch specialisten, waartoe het het kabinet vorige week heeft besloten, komt er ietsje meer marktwerking in de zorg. Het kabinet wil een „zeker overschot” in het aantal opleidingsplaatsen, opdat de zorg „vraag gestuurd” wordt. Zodat de patiënt meer keuzes krijgt dan het geringe aantal mogelijkheden dat hij nu heeft.

Vergeleken met andere rijke, geïndustrialiseerde landen heeft Nederland weinig huisartsen en specialisten per honderdduizend inwoners. België heeft vier keer zoveel huisartsen en twee keer zoveel specialisten, Duitsland heeft twee keer zoveel huisartsen en tweeënhalf keer zoveel specialisten, Frankrijk ruim drie keer zoveel huisartsen en bijna twee keer zoveel specialisten. Die landen kennen, anders dan Nederland, geen orgaan dat samen met specialisten en dokters het maximale aantal opleidingsplaatsen bepaalt. Studenten hoeven er niet te loten om medicijnen te kunnen studeren.

Met de rantsoenering van het aantal artsen dacht de overheid geld uit te sparen op de dure opleidingsplaatsen. Een overschot aan artsen zou bovendien het risico met zich meebrengen van ‘overbehandeling’ van patiënten. Zo’n kunstmatige beperking van het aantal artsen heeft echter grote nadelen en kost juist extra geld.

De Nederlandse zorg scoort in internationale vergelijkingen niet meer zo hoog als vroeger. Patiënten kunnen vaak moeilijk een huisarts krijgen of van huisarts wisselen. Het duurt weken en soms maanden voordat iemand een afspraak kan krijgen met een specialist. Patiënten moeten gedurende weken en maanden in volle wachtkamers terugkomen voor kleine onderzoeken aan dezelfde kwaal, terwijl dat in het buitenland allemaal in één keer gebeurt. Soms wordt, ook bij gevaarlijke aandoeningen, te lang gewacht met behandeling. Belgische specialisten werken harder en op tijdstippen dat het de patiënt uitkomt. Nederlandse artsen hebben meestal geen tijd om zich met het verdere verloop van de zorg bezig te houden.

Omdat Nederland relatief weinig artsen heeft, is er weinig competitie. Dankzij de schaarste blijven artsen van een hoog inkomen verzekerd. De inkomens van de vrij gevestigde specialisten in Nederland zijn dan ook de hoogste van de rijke landen, blijkt uit vergelijkende cijfers van de OESO. Ook andere Nederlandse artsen verdienen veel naar internationale normen. Bovendien werken ze vaak in deeltijd en alleen tussen negen en vijf, waardoor ze dikwijls niet beschikbaar zijn. Tegenover de besparingen op de opleiding en mogelijk op de behandelingen staan dus de extra kosten die de schaarste aan artsen veroorzaakt.

Het kabinetsbesluit is een te kleine stap. Het stelsel van loting en beperking van het aantal artsen is onrechtvaardig. Laat de markt zijn werk doen. Patiënten moeten tussen meer artsen kunnen kiezen. En wie geschikt is om medicijnen te studeren en talent heeft om dokter te worden, moet kunnen toetreden tot de medische stand.