Rechter doet uitspraak, maar Raad van State luistert niet

Woede, boosheid, razernij, kwaaie koppen en tandenknarsen. Die termen gebruiken vreemdelingenrechters als zij praten over de Raad van State. „Weer zo’n idiote uitspraak.”

Kees Groenendijk Foto Snijders 1119; Nijmegen: Hoogleraar rechtssocioloog. asielzoekers - rechterlijke macht onvrede uitspraken Groenendijk/Snijders
Kees Groenendijk Foto Snijders 1119; Nijmegen: Hoogleraar rechtssocioloog. asielzoekers - rechterlijke macht onvrede uitspraken Groenendijk/Snijders Snijders

De eerste aanwijzing voor rechtssocioloog Kees Groenendijk dat er iets mis was, had nog de vorm van een anekdote. Een vrouwelijke vreemdelingenrechter zou op haar bureau geklommen zijn voor een vreugdedansje. Ze was namelijk overgeplaatst naar de strafkamer. Groenendijk hoorde het van een cursusdeelnemer. Hij was verbaasd. Maar de andere cursisten, rechters en griffiers, begrepen het volkomen.

Kort daarop, in januari 2007, verscheen in deze krant een reportage over onvrede onder vreemdelingenrechters. Die richtte zich op de starre houding van de Raad van State, de eenzijdig negatieve interpretatie van de Vreemdelingenwet uit 2001 en de minachting van Europees recht. Nog geen week erna leverde het Europees hof voor de rechten van de mens in de zaak-Salah Sheekh scherpe kritiek op de vreemdelingenrechtspraak door de Raad van State. Voor de vierde keer in een paar jaar oordeelde het hof dat Nederland in een vreemdelingenzaak het Europees verdrag had geschonden.

Groenendijk, die gisteren afscheid nam van de Radboud Universiteit, maakte er z’n laatste onderzoeksproject van, met z’n opvolgster Ashley Terlouw. Zij interviewden 24 vreemdelingenrechters uit elf rechtbanken. Gisteren publiceerde hij de resultaten onder de titel Een venijnig proces. Hoe gaan lagere rechters om met uitspraken van de hogere rechter waar ze het principieel niet mee eens zijn, luidde zijn vraagstelling. Hoe passen zij zich aan? Wanneer zijn ze ongehoorzaam? Waar ligt hun loyaliteit? Hebben ze achteraf spijt van hun opstelling?

Het onderzoek bevestigt het beeld van sterk gepolariseerde verhoudingen. De rechters gebruiken termen als woede, boosheid, razernij, kwaaie koppen, tandenknarsen, geschokt, gefrustreerd of cynisch zijn. Zes rechters spraken van gewetensnood. De uitspraken van de raad worden als kort, nietszeggend, apodictisch, onbegrijpelijk of ongeloofwaardig gekarakteriseerd. Een aantal rechters meent dat de raad eenzijdig oordeelt. Men ziet er een „aanleunen” tegen de overheid in, het „dekken” (citaten uit het onderzoek) van de minister, sommigen ontwaren politieke vooroordelen.

Van die gevoelens merkt de buitenwereld niets. „Het grootste deel van de rechters legt zich erbij neer om een hele reeks van praktische, begrijpelijke redenen”, zegt Groenendijk. Men wil niet steeds uitspraken schrijven die consequent vernietigd worden. De vreemdeling zou maar blij worden gemaakt met een dode mus. Rechters zijn onderling loyaal. „Als jij voortdurend blijft afwijken van de lijn dan zit je collega dus fout. Je creëert dus onderling een probleem.” Op sommige rechtbanken wordt bijgehouden hoeveel uitspraken er worden vernietigd en wie ze schreef. Dat kan loopbaankansen beïnvloeden.

Toch verzetten vreemdelingenrechters zich af en toe. Ze proberen de appèlrechter te overtuigen door uitgebreid een afwijkend oordeel te motiveren. „Maar als ze merken dat ze daar geen inhoudelijk antwoord op krijgen dan houden ze daar binnen de kortste keren mee op.” Voor de rechtssocioloog Groenendijk was dat een interessante vaststelling. „Rechters zeggen altijd dat ze communiceren via hun uitspraken.” Als er geen antwoord komt, zwijgen ze al snel.

En z’n tweede conclusie was dat onder de rechters vrijwel alle vormen van externe communicatie ongepast zijn. Een enkeling schreef een beleefd artikel in een juridisch vakblad. Maar buiten de gang van de rechtbank – waar men bij elkaar stoom afblies als er „weer zo’n idiote uitspraak binnen was” – kwam de woede niet. Eén rechter zag op enig moment af van bijscholingscursussen, „omdat hij het geklaag over de Raad van State van z’n vakgenoten beu was”. Hij kon er niet meer tegen. Van de Raad van State zelf was zelden iemand te zien op bijeenkomsten van vreemdelingenrechters.

Eén keer is er wel een staatsraad verschenen op de landelijke dag van vreemdelingenrechters. Maar toen werd het „consigne gegeven dat er over de rechtspraak geen vragen mochten worden gesteld”. De irritatie werd er groter door. De gang naar de krant in 2007 was zeer uitzonderlijk en kwam pas tot stand na intern overleg én met instemming van de betreffende rechtbankpresidenten. Groenendijk begrijpt het wel. „Het is ook niet zo makkelijk, vertellen dat het eigenlijk verkeerd is wat je ook zelf hebt gedaan.”

Om incidenteel vreemdelingen te beschermen tegen de harde lijn van de Raad van State, hebben lagere rechters verschillende strategieën. Ze stellen bij een vreemdeling zoveel bijzondere omstandigheden vast dat een uitzondering onontkoombaar is.

Ze doen het omgekeerde: ze maken de uitspraak ‘inhoudsloos’ met heel algemene formuleringen. In appèl is de zaak dan nauwelijks meer te beoordelen.

Ze haken nadrukkelijk aan bij Europese normen.

Ze oefenen op de zitting morele druk uit op de IND om niet in hoger beroep te gaan.

De minst succesvolle strategie voor de lagere rechter is echter opschrijven wat hij echt vindt. Wie dat doet, raakt gefrustreerd.

De ‘venijnigheid’ zit in de combinatie van sociale druk, groepsloyaliteit en beroepsnormen. Groenendijk stelde vast dat een aantal ex-vreemdelingenrechters achteraf spijt heeft dat men zich niet harder heeft verzet. De negen rechters die zich in de krant uitspraken, overtraden een informele beroepsnorm maar werden toch breed gesteund.

Zie artikel onvrede vreemdelingenrechters uit januari 2007: nrc.nl/binnenland