Dalend onderwijsniveau

Volgens Paul van Dam (W&O 12-04-08) daalt het niveau van het onderwijs van de basisschool al sinds jaren. Hij stelt dit onder meer vast door de toelatingsexamens voor HBS of gymnasium van zo’n vijftig jaar terug met de huidige Cito-opgaven te vergelijken. Die oude opgaven waren sterk gericht op vaardigheid en parate kennis.

Het is Adriaan de Groot (1914-2006) geweest, die er zo’n vijftig jaar geleden voor gezorgd heeft dat het Cito opgericht werd. De bedoeling was dat er objectieve toetsen zouden komen, waaraan alle kinderen moesten deelnemen. En dit is ook grotendeels gerealiseerd. Dit paste in die tijd van algehele democratisering van het onderwijs, waardoor ook kinderen uit de lagere sociale klassen kansen kregen tot verdere scholing. De aard van de toetsopgaven werd vanaf toen aangepast; voor rekenen minder gecompliceerde vorm- en cijfersommen en afschaffing van de zogenaamde denkopgaven. Er bestaan nu landelijke objectieve eindtoetsen, die – ik spreek slechts voor rekenen-wiskunde – van goede kwaliteit zijn. Voor mij zou het niveau best iets hoger mogen zijn, maar niettemin zijn ze een goede graadmeter voor wat de kinderen na acht jaar basisonderwijs geleerd moeten hebben.

Men kan het onderwijsniveau niet meten door vergelijking van verschillende leerlingengroepen met eisen van vroeger en van nu. Wel ben ik er van overtuigd dat het basisonderwijs beslist veel beter zou kunnen. Daarvoor hoeven we de doelen echter nauwelijks aan te passen. Wat we moeten doen is zorgen dat de opleiding van de leraren inhoudelijk en didactisch drastisch verbeterd wordt en dat er verplichte na- en bijscholing van leerkrachten ingesteld wordt, zoals dat in elk ander belangrijk beroep gebeurt.

reken-wiskundedidacticus

Amsterdam