Werk met een ziel

Vakmanschap is sociaal kapitaal, vindt de Amerikaanse socioloog Richard Sennett. Zijn nieuwe boek is een pleidooi voor herwaardering van het ambacht.

Een Oeigoer herstelt zijn zaag in de Noord-Westelijke Chinese provincie Xinjiang (april 2008) Foto AP/Eugene Hoshiko An Uighur craftsman adjusts a saw at the grand bazaar in Hotan, northwest China's Xinjiang Uighur Autonomous Region on Saturday, April 5, 2008. (AP Photo/Eugene Hoshiko)
Een Oeigoer herstelt zijn zaag in de Noord-Westelijke Chinese provincie Xinjiang (april 2008) Foto AP/Eugene Hoshiko An Uighur craftsman adjusts a saw at the grand bazaar in Hotan, northwest China's Xinjiang Uighur Autonomous Region on Saturday, April 5, 2008. (AP Photo/Eugene Hoshiko) Associated Press

Richard Sennett: The Craftsman. Penguin, 304 blz. € 40,–

In Irak heeft de schoenproductie door de oorlog jarenlang vrijwel stilgelegen – zoals zoveel andere zaken. Nu keren schoenmakers terug naar hun werkplaatsen. En kennelijk pakken ze de draad relatief gemakkelijk op. Het leer dat ze te pakken krijgen voor bewerking is anders dan dat van vóór de oorlog. Sommig gereedschap ontbreekt. Maar doordat ze het vak tot in de vingertoppen beheersen, passen de schoenmakers hun oude methodes een beetje aan en zo komen ze een aardig eind. Sommigen hebben daar echt lol in.

Grote schoenfabrikanten in Irak hebben meer moeite om op gang te komen. Fabrieken liggen soms in puin of zijn leeg gestolen. Machineonderdelen zijn lastig te krijgen, personeel is verdwenen. Veel fabrikanten zijn managers en hebben geen idee hoe je een schoen maakt.

De Amerikaanse socioloog Richard Sennett zou zeggen: zie je wel. In zijn nieuwste boek The Craftsman breekt Sennett een lans voor mensen die een vak hebben geleerd en voor vakmanschap in de ruimste zin van het woord. Hij is zelf een begenadigd cellist en een geoefend kok. Maar zijn mening wordt niet gestuurd door de romantische en anti-kapitalistische notie – die al sinds het begin van de industriële revolutie bestaat – dat machines mensen van hun vaardigheid en dus hun waardigheid beroven. Waar het hem veel meer om te doen is, is om aan te tonen dat vakmanschap sociaal kapitaal is.

Zijn stelling is dat als mensen zolang moeten leren om iets goed onder de knie te krijgen – of het nu glasblazen is, de architectuur of zelfs het werken aan Linux op Internet – ze onderweg veel vaardigheden opdoen die hen in het maatschappelijk en sociale leven van pas komen. Ze leren omgaan met materiaal, of dat nu een computersysteem is of, zoals in het geval van de Iraakse schoenmakers, een stuk leer van onbekende kwaliteit. Ze leren wat op te steken van hun fouten. Ze leren te beoordelen wanneer ze risico’s kunnen nemen of zich juist moeten inhouden. Allemaal eigenschappen, zegt Sennett, die de mens plooibaar en zelfstandig maken – een goed burger, bedoelt hij.

Het romantische element dat bij deze theorie hoort – namelijk dat van de vakman die trots is op zijn eigen kunnen – komt in The Craftsman pas op de laatste bladzijden ter sprake. Trots is belangrijk, beaamt de socioloog. Maar het wordt hem te vaak geassocieerd met creativiteit. En creativiteit is juist persoonsgebonden en uniek. Creativiteit is niet door te geven; vakmanschap, dat volgens Sennett voor iedereen bereikbaar is, wel. Vandaar dat de leerprocessen die bij vakmanschap centraal staan, die van de meester die de kneepjes doorgeeft aan zijn leerlingen, bij creativiteit ontbreken. Zo verloren de Stradivariussen hun glans toen de vermaarde vioolbouwer overleed. Diens werkplaats zat vol leerlingen in diverse stadia van opleiding, onder wie nóg twee broers Stradivarius. Maar vanaf het moment dat Stradivarius een exclusief label op zijn instrumenten hing (zijn naam, wel te verstaan), hield hij op met kennis doorgeven. Zijn entourage verwachtte dat ook niet meer. De werkplaats werd statisch. Leerlingen deden vooral nog geestdodende, repetitieve klusjes. Ook de moeizame afweging tussen autonomie en autoriteit waar elke leerling mee worstelt – hij wil op eigen benen staan maar moet tegelijk verder leren, dus het gezag van de meester aanvaarden – verdween. Volgens Sennett is dit nóg een belangrijk sociaal aspect dat vaklui tijdens hun scholing opdoen.

Van de manier waarop je het beste een recept kun doorgeven van gevulde kip à la d’Albufera, tot de bedreiging die de nieuwe gestandaardiseerde dienstverlening van de Britse National Health Service vormt voor artsen en verpleging – Sennett kleurt zijn ‘humanistische theorie’ rijkelijk met praktijkvoorbeelden in, al zijn ze soms vergezocht en moet je zelf de verbanden leggen.

Mooi is het verhaal over het huis dat de filosoof Wittgenstein voor zijn zuster in Wenen bouwde in de jaren twintig van de vorige eeuw. Hij kwam uit een vermogende familie. In zijn streven om niet zomaar een huis te ontwerpen maar een hoogdravend ‘fundament aller gebouwen’, hoefde hij zich dus niet in te houden. Dit huis mocht, toen het eindelijk af was, intellectueel fijn in elkaar zitten. Maar het was zielloos en steriel. Gelukkig kon Wittgenstein dat toegeven en daarna stapte hij af van dit soort rigoureuze, maximalistische experimenten.

Volgens Sennett deed Frank Gehry dat beter met zijn Guggenheim Museum in Bilbao: die was een jáár bezig om de goede titanium-beplating voor de buitenkant te fabriceren. Aan het eind was hij zo ver afgeweken van de gangbare fabricagemethodes, dat hij nieuwe rollers moest maken om de platen te bewerken. Maar dat spel met materiaal leverde uiteindelijk wel de gewenste beplating op. Gehry, schrijft Sennett, ‘vond deze ervaring verrijkend.’

Eén belangrijke vraag rest na het lezen van dit boek: waarom Sennett zijn eigen stellingen niet in de praktijk brengt. Het is een raadsel waarom iemand die een boeiend en redelijk overtuigend pleidooi houdt voor vakmanschap en kwaliteit, zóveel taal- en spelfouten in zijn tekst heeft laten zitten.