Honderd boerkadragers houden vijf ministers een middagje bezig

De Tweede Kamer heeft het wel een beetje gehad met de discussie over de boerka. Een boerka zien is niet leuk, maar is het een probleem?

Voor elke twintig boerkadragers één minister. Zoveel aandacht zullen weinig Nederlandse burgers ooit van het kabinet ontvangen hebben. Minister Vogelaar (Integratie, PvdA) moest er zelf om lachen, dat ze samen met vier collega’s in de Tweede Kamer zat om te praten over de naar schatting honderd boerkadragers in Nederland.

Om het beleid voor gezichtsbedekkende kleding in het openbaar uit te leggen, waren ook de ministers van Binnenlandse Zaken, Justitie, Volksgezondheid en Onderwijs aangeschoven.

Het kabinet kiest bij het aanpakken van boerka en niqaab – voor de juridische zuiverheid praat men over alle gelaatsbedekkende kleding, dus ook integraalhelmen en capuchons – tegenwoordig voor een pragmatische lijn, vol nuances en ‘oplossingen op maat’. Rijksambtenaren mogen niet, op school moet iedereen zijn gezicht laten zien, maar over het openbaar vervoer vindt nog discussie plaats, lokale overheden moeten zelf weten wat ze doen en in de zorg gaat minister Klink eerst uitzoeken of het dragen van boerka’s eigenlijk een probleem is. Zelf dacht hij van niet.

Twee jaar geleden had het onderwerp minder grijstinten. Toen eiste de Tweede Kamer nog een algeheel boerkaverbod. Het was een motie van PVV-leider Geert Wilders, die door het CDA aan een meerderheid werd geholpen. Toen ging het vooral om het gevaar voor de openbare orde en veiligheid, nu ligt de nadruk meer op de problemen die ontstaan als je met iemand wilt communiceren zonder zichtbaar gezicht, en hoe iemand die zich verbergt voor de buitenwereld ooit moet integreren.

Die kentering was niet naar de zin van PVV’er Sietse Fritsma en VVD’er Henk Kamp. Zij zijn zo teleurgesteld dat ze met hun eigen wetsvoorstellen komen, waarbij Fritsma zich beperkt tot moslims met gezichtsbedekking, en Kamp alle bedekte gezichten uit de openbare ruimte wil weren.

De opwinding van de rechtse fracties werd niet door de andere partijen gedeeld. Zij konden zich wel vinden in de ideeën van het kabinet, en leken vooral klaar om het onderwerp achter zich te laten. „Laten we het nou voor eens en voor altijd regelen”, zei Kamerlid Madeleine van Toorenburg (CDA). „Dan kunnen we het eindelijk achter ons laten, en hoeven we er niet steeds weer over te praten als de PVV gaat kraaien.”

Niemand in de Kamer vindt het leuk een boerka te zien. Zoals SP’er Ronald van Raak, die vertelde dat hij één keer in zijn leven een boerkadrager in een park was tegengekomen. „Dat was ronduit ongemakkelijk. Hier was een vrouw die geen contact met mij wilde. Wij hoorden niet bij elkaar.” Maar Kamerleden moeten beseffen dat ze wel eens dingen zien die ze niet begrijpen en waarvoor ze toch respect moeten opbrengen, legde Ed Anker (CU) uit.

Waarom altijd weer die Haagse symboolwetgeving, vroeg Kamerlid Jeroen Dijsselbloem (PvdA) zich af. „We kunnen de maatschappelijke werkelijkheid niet in een mal passen.” Dat je door het verbieden van boerka’s de vrouwenonderdrukking en gebrekkige integratie die er achter schuil zou gaan, kan oplossen, is volgens Dijsselbloem een illusie. Welke maatschappelijke groepering had eigenlijk om Haagse actie gevraagd, vroeg Dijsselbloem zich af. Aan VVD’er Kamp vroeg hij: „Welk probleem gaat u oplossen?”

Met diezelfde gedachte stelde Kamerlid Naïma Azough (GroenLinks) voor om eerst eens te onderzoeken wie deze boerkadragers eigenlijk zijn. Worden ze onderdrukt, kiezen ze zelf voor de boerka? Zijn het slecht geïntegreerde allochtonen, of juist bekeerde hoogopgeleide autochtonen. Niemand die het weet.

Vogelaar is al met zo’n onderzoek bezig. En, zei ze tegen Kamp en Fritsma, zij zouden de resultaten daarvan ook eens moeten afwachten: „Het zal u nog verbazen wat er onder die boerka zit.”