Elk moment kan er iets gebeuren

China beschuldigt de islamitische minderheid Oeigoeren van terrorisme.

Westerse deskundigen nuanceren de dreiging en zien vooral sociale ongelijkheid.

Deze maand maakte de Chinese overheid bekend dat ze een bende heeft gearresteerd die tijdens de Olympische Spelen atleten wilde ontvoeren. De uit de provincie Xinjiang afkomstige beweging van Oeigoeren, een islamitische minderheid, zou ook plannen hebben om regeringsgebouwen en hotels op te blazen.

Volgens de voorzitter van het Oeigoerse Wereldcongres, Rebiya Kadeer, heeft China het verhaal verzonnen. Op een persconferentie in Berlijn zei ze maandag dat het land daarmee de aandacht van de situatie in Tibet wilde afleiden. Kadeer leeft in ballingschap in de Verenigde Staten. Zij is door Peking uitgewezen nadat zij in 1999 werd opgepakt en tot acht jaar cel veroordeeld omdat ze te openlijk de emancipatie en rechten van de Oeigoeren zou opeisen.

Volgens Kadeer heeft China na de aanslagen van 11 september 2001 in de VS de jacht op de vermeende terroristen in Xinjiang geopend. Zo probeert Peking iedere vorm van protest in het gebied hard aan te pakken. De autoriteiten verwijzen hierbij naar Moslim Beweging van Oost-Turkistan (ETIM , East Turkestan Islamitic Movement). Deze groep, die de Oeigoerse onafhankelijkheid propageert, heeft volgens China banden met Al-Qaeda en wordt ook door de Verenigde Naties en de VS als een terroristische organisatie gezien.

De actiegroepen in Xinjiang hebben weliswaar geen eenduidige politieke agenda, maar ze streven vrijwel allemaal naar een onafhankelijk Oeigoeristan. Deze staat zou niet alleen een groot deel van westelijk China moeten beslaan, maar ook gebieden in de naburige Centraal-Aziatische landen. Sommige groepen krijgen financiële steun van moslimbewegingen uit de aangrenzende landen. Daarnaast verdienen de activisten veel geld met drugssmokkel.

De Turkse achtergrond van de Oeigoeren en de Centraal-Aziatische Turkse landen waaraan het gebied grenst, maken Peking nerveus. Niet alleen de strategische ligging van het gebied speelt hierbij een rol. Ook de enorme olie- en gasvoorraden in de provincie zijn voor de Chinezen van groot belang. De energievoorraad is hard nodig om de snelle economische groei van China mogelijk te maken.

Om Xinjiang in handen van China te houden, zijn de afgelopen decennia miljoenen Han-Chinezen naar Xinjiang geëmigreerd. Er wonen nu zo’n 6 miljoen Chinezen in het gebied en 8 miljoen Oeigoeren. Na de Tweede Wereldoorlog woonden er in Xinjiang nog geen 300.000 Chinezen.

David Fouquet, directeur van het Azië-Europaproject in Brussel dat onderzoek doet naar sociale veiligheid in China, vindt de Chinese angst overtrokken. De dreiging die van de Oeigoeren uitgaat is volgens de terrorisme-expert beperkt omdat zij onderling sterk zijn verdeeld. „Sommigen wijzen geweld als politiek middel af, anderen weer niet”, zegt Fouquet. Hij relativeert de contacten van de Oeigoerse actiegroepen met bewegingen in aangrenzende landen.

Niet de religieuze en etnische tegenstellingen verstoren, volgens Fouquet, de rust in Xinjiang, maar vooral de snel groeiende sociaal-economische ongelijkheid. „Chinezen en Oeigoeren leven in de steden redelijk vreedzaam naast elkaar omdat beide groepen zoveel mogelijk willen profiteren van de economische groei”, vertelt Fouquet. Op het platteland is de sfeer veel grimmiger.

„Oeigoeren die buiten de stad wonen, hebben vaak nauwelijks of geen scholing gehad”, zegt Fouquet. „Zij wonen in afgelegen gebieden. Daardoor profiteren ze nauwelijks van de economische groei in China.” Volgens Fouquet maakt de sociaal-economische achterstand de Oeigoeren op het platteland gevoelig voor extremistische ideeën die overwaaien uit landen als Pakistan en Afghanistan.

„De snel groeiende sociale ongelijkheid tussen stad en platteland is in heel China een probleem. Complicerende factor in Xinjiang is dat de Oeigoeren zich op basis van hun etnische achtergrond afzetten tegen de Chinezen die het meestal veel beter hebben dan zij.”

Volgens Chinese statistieken liggen de laagste inkomens in Xinjiangs hoofdstad Urumqi op zo’n 90 euro per maand. In de grensstad Kashgar moeten de armsten het met de helft minder doen. Statistisch onderzoek van de Londen School of Economics naar inkomensverschillen in China toont aan dat stedelingen in Xinjiang ruim drie keer zoveel verdienen als de plattelandsbevolking.

Zhang Jiadong, hoogleraar publieke veiligheid aan de universiteit van Fudan, benadrukt dat er in Xinjiang sprake is van een reële terroristische dreiging. „In het Westen denkt men dat China de zaak overdrijft. Maar niemand kan ontkennen dat in Xinjiang een cel van Al-Qaeda actief is.”

Dat de spanningen in Xinjiang oplopen, bevestigt een Chinees uit Urumqi. „Chinezen én Oeigoeren mijden publieke plaatsen als pleinen en winkelcentra omdat ze bang zijn voor een aanslag. Elk moment kan er iets gebeuren.”