Een loods als provocatie

De Amerikaanse architect Adam Kalkin ontwerpt niet. Hij bouwt. Loodsen en containers vormen het uitgangspunt. Die zijn de brute keerzijde van het suburbane ideaal.

Bunny Lane House, een huwelijks- en echtscheidingsmachine foto’s Peter Aaron/Esto Arcchitectuur van Adam Kalkin
Bunny Lane House, een huwelijks- en echtscheidingsmachine foto’s Peter Aaron/Esto Arcchitectuur van Adam Kalkin Esto

Ragfijne vlokjes vallen omlaag en maken alles grijs. Tussen de bomen vervaagt ook de loods. Hij doet haast idyllisch aan, als zo’n huisje onder een glasstolp vol wervelende sneeuw. En dan te bedenken dat in die loods een echte idylle schuilgaat: een cottage met een veranda, droom van elke Amerikaan.

De loods met cottage is de woning van een architect. Maar een ontwerp kwam er niet aan te pas. Waarom zou je een huis ontwerpen? Waarom gebruik je niet wat er al is? De cottage stond er al meer dan een eeuw en een loods hoeft niet ontworpen te worden, een loods is gewoon wat hij is, je hoeft je er niet voor te schamen. En dus bouwde Adam Kalkin een loods om de cottage heen en stichtte er een gezin.

Een idylle mag je dat wel noemen. Maar zelf woont hij er niet meer. Zijn vrouw en dochters nog wel.

Bocht na bocht rijden we, en overal dezelfde bomen, dezelfde huizen met veranda. Kalkin groeide hier op. Voor hem moet deze omgeving betekenis hebben. Maar ik zie geen verschillen; de ene bocht is als de andere en de huizen zijn als de cottage in zijn loods. Hier een loods laten oprijzen is een provocatie. Of misschien moet je zeggen: een pervertering. New Jersey is vergeven van traditionele huizen; een loods temidden van dat massaal met veranda’s en erkers opgetuigde gezinsleven is pervers.

Loodsen staan doorgaans op bedrijfsterreinen. Ze herbergen bouwmaterialen, meubels – precies datgene wat het wonen mogelijk maakt. Loodsen laten zich dan ook opvatten als de verborgen machinerie van het suburbane ideaal, de brute keerzijde ervan. Net als containers waarin die spullen worden vervoerd, fabrieken waarin miljoenen meisjes met vlechten al dat moois in elkaar zetten. Alles moet er netjes en verzorgd uitzien, liefst ook nog ontworpen. Maar waar het vandaan komt, mag grof en lelijk zijn. Daar bekommert niemand zich om.

Kalkin had het bij zijn provocatie kunnen laten. Maar hij nam geen afstand van de cottage en de droom die erin verborgen lag. Hij beschermde de cottage, koesterde haar. Ook gedroeg hij zich niet als de architect die het suburbane ideaal met de schreeuw van een persoonlijk design verstoort. Hij was met het suburbane ideaal vergroeid; het verloochenen zou pretentieus en gênant zijn. Hij wist ook dat een verloochening op een bekrachtiging van dat ideaal zou uitdraaien; de huizen en gazonnen zouden nóg genoeglijker gaan glanzen als zich ineens een aansteller in hun midden bevond.

Door de loods en de cottage te verenigen greep hij dieper in. Hij bedreef een suburbane psychoanalyse: wat er verdrongen werd, haalde hij naar boven. Dat maakte onbehaaglijk. De cottage stond ineens in een schel licht en verloor de geborgenheid waarop ze zinspeelde. Wonen, een plek vinden waar je thuis bent, bleek bij nader inzien onmogelijk.

We zijn op weg naar een fabriek

waar Kalkin voor het Museum of Modern Art in New York een prefab huis van zeecontainers laat bouwen. In juli wordt het huis voor het publiek opengesteld. Foto’s van de bouw, het vervoer en de constructie op een locatie in New Jersey worden in het museum en online geëxposeerd, samen met foto’s van prefab huizen van drie andere architecten. Het zal een onderdeel zijn van de tentoonstelling Home Delivery: Fabrication of the Modern Dwelling.

Het hele prefab fenomeen in de architectuur wordt de komende zomer in het MoMa onder de loep genomen, met foto’s, films en maquettes van het werk van onder andere Frank Lloyd Wright, Richard Rogers, Thomas Edison en R. Buckminster Fuller.

Bekend is Kalkin nog niet. Misschien zal de expositie hem helpen. Zijn huizen zijn verbluffend en verdienen meer aandacht. Maar architectuurtijdschriften hebben tot nu toe nauwelijks over de huizen gepubliceerd. Ik neem aan dat de redacties zijn provocaties goed verstaan en begrijpen dat hij niets moet hebben van de glossy gebouwen waarmee ze hun pagina’s vullen, die ijdele parade van stijlen en ontwerpen.

In de kunstwereld heeft hij wel naam. Vorig jaar bouwde hij in opdracht van Illy op het Biënnaleterrein van Venetië een container die zich liet uitklappen tot een koffiebar. Hij exposeerde ook enkele keren in Nederland en New York. Zijn provocaties worden niet altijd gewaardeerd: voor het meerjarige project Beyond stelde hij voor om alle vrouwen van de Vinexwijk Leidsche Rijn met zijn sperma te bezwangeren zodat hij founding father van de pioniersgemeenschap zou worden. Het plan werd niet gerealiseerd.

Achttien jaar geleden leerde ik

zijn werk kennen. Een Amerikaanse architectuurcriticus tipte me over zijn vakantiewoning op Martha’s Vineyard, een eiland dichtbij Boston. Een loods en een schuur stonden naast elkaar in de krant te koop. Kalkin deconstrueerde ze, verscheepte ze naar het eiland en schoof ze daar in elkaar. Niets was ontworpen, alles geïmproviseerd, en als vanzelf ontstonden ruimtes. Hij nam me mee en liet me het huis zien. Het was gedeeltelijk geteerd, het had er aangespoeld kunnen zijn. Een verademing vergeleken met al die zelfvoldaan uitbuikende vakantiewoningen van de well-to-do.

Het huis op Martha’s Vineyard toonde reeds waar het hem om te doen is: bouwen. Alleen bouwend schept hij voor zichzelf ruimte. Een gereed gebouw interesseert hem veel minder. Het is verlaten, in de steek gelaten door de bouwvakkers. Ik kan me herinneren dat hij Manhattan indertijd afdeed als een verlaten stad; dat er massa’s mensen over de trottoirs en in de kantoren dromden, deed daar niet aan af. Stijl beschouwt hij als irrelevant. Geen stijl overtuigt, ook de oude niet.

In zijn afkeer van architectuur doet hij denken aan de Weense architect Adolf Loos. Ook Loos hekelde de vormwil van architecten, hun onbedwingbare neiging om te ontwerpen. Zoals bekend stoorde hij zich vooral aan het ornament; het ornament was een misdaad.

Inmiddels is het gebouw zélf

een ornament geworden, een schetterend teken. De architectuurgekte is totaal, er woedt een mondiale architectuurhysterie, niet omdat architectuur zoveel betekenis heeft maar omdat er in deze diffuse tijden geen andere bestendige tekens meer zijn waar iedereen zich naar kan richten. Een vanzelfsprekende vormgeving lijkt meer dan ooit onbereikbaar, elk ontwerp is krampachtig, er moet altijd iets bewezen worden voorbij het functionele, voorbij het simpelweg gebouwde, en het design dringt zich aan je op als iemand die te luid praat en ook nog eens te dicht bij je gaat staan.

Het wekt geen verbazing dat Kalkin de architectuur geheel en al afschrijft. Als geen stijl kan overtuigen, kun je maar beter stijlloos zijn. Dus bouwt hij loods- en containerwoningen. Daar ligt ook een persoonlijke voorkeur. Loodsen en containers zijn bruut, ze hebben iets romantisch. Maar uiteindelijk is die romantiek voor hem van minder belang. Het gaat hem vooral om het verkrijgen van controle. „Zodra je met andere mensen werkt, verlies je controle. Zij beïnvloeden je werk, ze interpreteren het. Maar loodsen en containers hebben een taal die iedereen verstaat, je hoeft niets uit te leggen, je hoeft niemand van wat dan ook te overtuigen. Iedereen gaat er gewoon mee aan de slag en weet gelijk wat hij moet doen. Mijn ultieme doel is om te bouwen zonder ontwerp, zonder opdrachtgever. Alleen te bouwen, van niemand afhankelijk te zijn.”

Hij heeft nog altijd de verbaasde

mimiek van een komiek. Maar na die achttien jaar begint hij bij de slapen te grijzen. Hij zal weer een huis voor zichzelf moeten bouwen. Wat verlangen mensen toch van een huis? Een container lijkt een adequatere vertaling van onze rusteloosheid, van ons onvermogen om in geborgenheid weg te kruipen. Containers laten zich ook makkelijk verschepen, je kunt ze overal heen brengen, net als de mensen zelf.

We zijn bij de fabriek aangekomen en stappen door de sneeuw, gaan een loods binnen. Hier geen cottage, maar een woning van zes gestapelde containers. ‘TRITON’ staat er op een. Er zijn werkbanken en er wordt gelast en gehamerd. Leidingen lopen langs de wanden, ramen zijn uitgesneden, een industriële trap leidt naar boven, het keukenblok en de toiletpot staan al klaar, en het geheel wordt beschenen door krachtige bouwlampen. Rauw is het, maar Kalkin zal het even gerieflijk maken als zijn andere huizen, met sofa’s en fauteuils, degelijke Amerikaanse meubelen zoals zijn vader die in zijn winkel voor wooninrichting verkoopt. „Het is zoals met die hiphoppers. Die zijn met hun samples vaak inventiever dan zij die origineel werk maken”, zegt hij. Hij loopt de trap op en overlegt met de bouwers, wijst hoe leidingen moeten lopen, waar de boekenkast moet komen.

Ik ga op een oude, uitgezakte bank zitten

en probeer in mijn hoofd zijn laatste huis te reconstrueren. De loods met cottage die hij me zo-even heeft laten zien. Zou het toch iets met zijn huwelijk hebben gedaan? Had hij misschien middelpuntvliedende krachten geschapen?

Uit de loods had hij openingen gesneden. De korte zijden waren helemaal van glas, maar ook in de lange zijden was met de snijbrander te keer gegaan. De cottage stond aan de ene kant van de loods en paste er maar net in. De uitbouw met de woonkamer viel erbuiten en heeft Kalkin laten verwijderen. Het snijvlak voorzag hij van glas, het liet de contouren van een huis zien, met rechte muren en een schuin dak, precies zoals een kind dat tekent. De vloer mocht blijven liggen en werd een terras. Aan het eind ervan stond de stenen open haard met schoorsteen, symbool van huiselijke warmte maar inmiddels blootgesteld aan weer en wind.

Aan het andere uiterste bouwde Kalkin een wand van negen kubusvormige kamers. Kinderkamers, gastenkamer, badkamer, knutselhok en studiekamer voor zijn vrouw. Ook naar binnen toe waren ze doorzichtig; als je niet gezien wilde worden, moest je een gordijn dichttrekken. Liet je het gordijn open, dan keek je in het gapende gat tussen de cottage en de negen kamers. Daar was de living met zijn sofa’s en salontafel. Het hart van het huis. Ruimte genoeg, maar leeg en afwachtend als een toneelpodium.

Toen ik in de kamers rondliep, zag ik Kalkin op een van de sofa’s hangen. Schuin van boven bezien leek het vreemd, zo’n lichaam haaks op een bank. Zijn vrouw moet hem ook zo hebben gezien. Misschien keek hij dan omhoog en zag haar voor het glas staan. Wat gebeurde er dan? Lachten ze naar elkaar, kwam zij naar beneden of ging hij naar boven? Zou het gewerkt hebben, dit genadeloze zicht, deze afstand die de ander tot vreemde maakt?

Laten we aannemen dat het huis oorspronkelijk als een huwelijksmachine functioneerde. Het verfriste de blik, het laadde de blik opnieuw, het hielp elke dag weer de ander als een vreemde te zien, als een geheim waar je deelgenoot van wilde zijn. Huwelijken hebben die afwisseling van intimiteit en afstand nodig. Maar na verloop van tijd kreeg het een averechtse uitwerking. Er werd weggekeken; op een pijnlijke wijze gebeurde er helemaal niets als ze elkaar zagen. Het huis vergrootte het ongemak. Van een huwelijksmachine werd het een echtscheidingsmachine. Misschien kun je zelf geborgenheid scheppen, misschien kun je even samenvallen met het leven dat je jezelf geschapen hebt, maar je wordt er altijd weer uitgegooid.

Informatie over het werk van Adam Kalkin: www.architectureandhygiene.com. De tentoonstelling ‘Home Delivery: Fabrication of the Modern Dwelling’ is van 20 juli tot 20 oktober te zien in het MoMA in New York en op www.moma.org.