De kunst van het andere

Zwarte vrouw loopt door kunstinstellingen en vindt niets van haar gading. De Nederlandse kunstwereld mijdt het multicultureel debat.

Als er iets is dat als een rode lap op een stier werkt in de museumwereld, dan is het wel de discussie rond diversiteit. ‘Kleur maakt geen bal uit, wij gaan uit van de kunst, niet van sociale factoren. En we willen al helemaal niet politiek correct zijn’, was de briesende respons van een groep boze musea op de diversiteitsplannen van de Mondriaan Stichting. Ach, je kunt deze hoeders van onze kunsten niet verwijten dat zij navelstaarders zijn, want dat is mensen eigen. Maar in alle eerlijkheid geldt voor mij, simpel gezegd, dat ik er te vaak geen ruk aan vind als kleur geen bal uitmaakt.

Kunst vanuit een veelheid aan perspectieven biedt volgens mij juist een nieuwe, dynamische impuls in de kunst. Persoonlijk word ik nauwelijks warm of koud van het huidige kunstaanbod, van volgens de smaakbepalers hoge kwaliteit, gespeend van sociale invloeden, en politiek a-correct. Hoewel dit ongetwijfeld voor sommigen een bewijs is van mijn cultuurbarbarij, is het een feit dat ik zelf zo nu en dan als gekleurde dame ook aanvallen van navelstaren heb. Ik wil mijn eigen wereld en thema’s ook zo graag eens aan de muren zien!

De afgelopen week een rondje Boijmans, de Appel en Tent gelopen. Het is prima hoor, maar allemaal zoveel van hetzelfde. Is er de afgelopen jaren ooit iets echts vernieuwends te zien geweest? Het enige nieuwe werk dat mij echt raakte was de hilarische, pijnlijke, cynische videofilm van Renzo Martens, waarin hij poogt de wereld te verbeteren door Afrikaanse bruiloftsfotografen om te scholen tot honger- en doodpaparazzi van het leed om de hoek. Omdat voor die foto’s in het Westen grof geld geboden wordt. Inderdaad, kunst met een boodschap, een maatschappelijk commentaar. Een kunstenaar die zich verhoudt tot wat er in de wereld, in mijn wereld, gebeurt, dat is wat mij raakt.

Roepen dat je de enige bent die

behept is met goede smaak en dat jij en de jouwen alleen kunnen bepalen wat kwaliteit is en wat niet, is natuurlijk een makkelijke manier om een discussie over zoiets voor de gewone mens toch al zo ongrijpbaars als kunst te smoren. Maar toch is dit standpunt opmerkelijk. De multiculturele samenleving is nationaal en internationaal de afgelopen jaren hét speerpunt geweest van het politieke debat. Van multicultureel drama tot the clash of civilizations, van de Fortuynrevolte tot Fitna, maatschappelijk en politiek is het de multiculturele samenleving die voortdurende wrijving en confrontaties oproept. Moet kunst hierop inspelen? Niet noodzakelijk. Maar gezien de grote veranderingen die de samenleving heeft doorgemaakt, en de commotie en dynamiek die dit heeft veroorzaakt, is het best verbazingwekkend dat de kunsten hier niet méér mee bezig zijn.

Bij diversiteit gaat het natuurlijk ook om zoiets als ‘representativiteit’. Om de Guerilla Girls, de groep radicaal-feministische kunstenaressen, maar weer eens van stal te halen: in het gemiddelde museum is het meestal één soort individueel geluid dat gehoord, gezien, bejubeld en betekenisvol gevonden wordt. Het is misschien een versleten argument, maar toch. Loop er anno 2008 de museummuren nog maar eens op na: de makers zijn – door de eeuwen heen – door de bank genomen getalenteerde blanke mannen uit een vaak gegoed milieu, gevormd aan dezelfde hoogaangeschreven kunstopleidingen, zich bewegend in hetzelfde kunstminnende wereldje, met dezelfde soort mening over zulke uiteenlopende zaken als politiek, mooie muziek of een aangename buurt. Natuurlijk, binnen die monotonie vind je desondanks een grote diversiteit aan individuele expressie. En uiteraard, voor deze kunstenaars speelt het in hun individuele en door de heren kunstcritici betekenisvol geachte werken geen enkele rol dat zij misschien wit zijn en man. Maar vertellen zij, zeker nu, het hele verhaal van onze samenleving? Iedereen die oprecht in kunst geïnteresseerd is, zou toch op zijn minst nieuwsgierig moeten zijn naar de visie van kunstenaars met een minder vanzelfsprekende achtergrond?

Als ik in de Britse Vogue een artikel lees over een nieuwe lichting toonaangevende zwarte vrouwelijke kunstenaars die uiterst geëngageerd werk maken, vraag ik mij af waarom ik weer naar Londen of New York zou moeten vliegen om dit soort werk te zien. Internationaal doen curatoren niet zo verkrampt over culturele diversiteit. Het is er, het is vanzelfsprekend, ook in de kunst. Ook in Nederland is er een kunstpubliek dat zo’n houding geweldig zou vinden. En ook hier lopen sporen naar elke uithoek van de wereld. Al decennia.

Hoewel ik prima van allerlei

kunstenaars kan genieten, voel ik mij op een bijzondere manier aangesproken door kunstenaars die een andere achtergrond hebben, net zoals ik op een net andere manier kijk naar een werk van een vrouw. Of de maker zo’n respons beoogt, is voor mij volstrekt irrelevant. Ik vind het gewoon leuk om mij als kijker eens in een maker te kunnen verplaatsen, want dat is zeldzaam. Een paar jaar geleden interviewde ik de Afro-Amerikaanse kunstenares Deborah Grant, toen zij artist in residence was in het New Yorkse Studio Museum in Harlem, over welke rol identiteit speelde in haar werk. Die rol was groot, vertelde zij. „Zwart zijn in Amerika is gewoon een wezenlijk iets.” Zo is dat, vond ik, en niet alleen in de Verenigde Staten. Het hebben van een andere achtergrond, is een ervaring die een rol speelt in je leven. Het doet ertoe, linksom of rechtsom, heeft effect op hoe je in de samenleving en je gemeenschap staat en vice versa.

Natuurlijk hoeft een ‘etnische’ kunstenaar helemaal niet de behoefte te hebben om met zijn of haar werk ook maar iets maatschappelijks, politieks of etnisch uit te drukken. Best kans dat iemand er geen enkele behoefte aan heeft zichzelf op deze manier te profileren. Het levert je waarschijnlijk alleen maar stigma’s op, die je belemmeren in je erkenning door de ‘echte’ kunstwereld. Maar zelfs al is het aan het kunstwerk niet af te zien dat het dit keer eens om een werk van een vrouw gaat, of van een Antilliaan, dan nog heeft het voor een toeschouwer, zeker een kijker met een vergelijkbare achtergrond als de maker, een andere zeggingskracht.

Erkenning, herkenning, opluchting,

trots, nieuwsgierigheid, ontroering, verwondering, ergernis, verbazing, razernij, inspiratie. Alles wat goede kunst moet losmaken en net dat beetje meer omdat je je met de kunstenaar kunt identificeren. Juist de individuele expressie is interessant voor een publiek dat zelf ook een product is van het als individu wortel schieten in een nieuwe samenleving, van het jezelf definiëren, afzetten, vinden, verliezen en herpakken in de babylonische kaders van je dagelijks leven. Of een kunstenaar inspiratie ontleent aan zijn of haar afkomst of zich er juist verschrikkelijk tegen afzet; het is een boeiend commentaar van een kunstenaar op zijn biografie. En juist ook als die reactie neutraal is, eigenlijk helemaal niets lijkt te impliceren, is het interessant. Elk scenario is immers herkenbaar.

Daarnaast kan een eigenzinnige voorhoede van kunstenaars van verschillende afkomsten een interessante impact hebben op de dynamiek van de multiculturele samenleving. Wat mij betreft wordt het dan ook hoog tijd dat musea de poorten opengooien voor dialogen, monologen, ontmoetingen en kakofonie biedt die prikkelt om na te denken over dit bepalende kenmerk van onze tijd, culturele diversiteit.

Harriët Duurvoort is consultant en projectmanager op het gebied van media, cultuur en communicatie.