Meer dan een persoonlijke tragedie

Hoewel de dood van eerste luitenant Dennis van Uhm in Uruzgan voor zijn nabestaanden niet moeilijker te aanvaarden en verwerken zal zijn dan, voor hun nabestaanden, het verlies is van de militairen die vóór en met hem gesneuveld zijn, heeft zijn dood een grotere symboolwaarde. Hij was immers de zoon van de daags tevoren plechtig geïnstalleerde commandant der strijdkrachten, generaal Van Uhm.

Om die reden wijdden ook de buitenlandse media meer aandacht aan zijn dood dan zij plegen te doen wanneer andere Nederlandse militairen omkomen als gevolg van vijandelijk geweld. Velen werden daardoor zich voor ’t eerst bewust van de Nederlandse aanwezigheid in een van de gevaarlijkste delen van Afghanistan. Het was opmerkelijk hoe vaak die in staatjes en kaartjes onvermeld bleef.

Maar deze gebeurtenis, die voor de direct betrokkenen ongetwijfeld tragisch te noemen is maar, zeker voor een beroepsleger, tot de aanvaarde beroepsrisico’s behoorde, heeft nog een andere symboolwaarde. In zekere zin wast zij de smaad uit die Nederland dertien jaar geleden in Srebrenica op zich geladen had.

Daar leverden Nederlandse militairen, die de opdracht hadden de burgerbevolking te beschermen, deze zonder slag of stoot uit aan de Serviërs, die daarop de mannen wegvoerden en vermoordden. Zeker, de Nederlanders waren te licht bewapend om zich tegen de Servische overmacht met succes te kunnen verzetten, maar niettemin was er sprake van een morele schuld, die vooral het buitenland niet zo gauw vergeten zou.

De Nederlandse verklaringen voor dit drama wogen niet op tegen de vernietigende indruk die de door Time miljoenenvoudig verspreide foto maakte waarop de Nederlandse commandant als ridder van de droevige figuur te zien was, het glas heffend met de Servische generaal Mladic. Dat daarna de Nederlandse militairen, in aanwezigheid van prins Willem Alexander, getroost werden met een bras- en hospartij, completeerde het beeld van de schande.

Maar de verantwoordelijkheid lag niet uitsluitend bij de militairen. Het was vooral op aandrang van de Tweede Kamer geweest dat, ondanks waarschuwingen, een te licht bewapend contingent naar de rattenval van Srebrenica was gestuurd. Het was dus een collectieve schuld. Nederland als zodanig was tekortgeschoten, en zoiets wordt in andere landen niet vergeten.

Dit wordt te minder vergeten omdat Nederland zich graag morele pretenties aanmeet en die anderen dan voorhoudt. In die morele aanmatiging geven PvdA en CDA elkaar niet veel toe, en het is niet gebleken dat Srebrenica hen, wat dat betreft, bescheidener heeft gemaakt. Dit moet althans ten voordele van de VVD gezegd worden: van zulke pretenties heeft zij geen last (al was het toevallig juist een liberale minister van Defensie die in de eerste plaats verantwoordelijk was voor Srebrenica).

Gezegd moet worden dat Nederland zich er niet gemakkelijk van heeft af gemaakt. Ettelijke onderzoeken zijn naar het drama verricht, eindigend met het dikke rapport van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie, dat leidde tot het – staatsrechtelijk niet vereiste – aftreden van het kabinet-Kok II in 2002, zeven jaar na dato. Maar het is de vraag of dit de smet heeft uitgewist.

Daarvoor was de operatie-Uruzgan nodig, en met de dood van de zoon van de commandant der Nederlandse Strijdkrachten kan eindelijk gezegd worden dat Nederland zijn blazoen heeft gezuiverd en een zoenoffer heeft gebracht. Nederland kan nu andere landen recht in de ogen zien – hoewel het eindoordeel daarover natuurlijk niet ons toevalt, maar juist de anderen.

Het tijdstip van het zoenoffer beantwoordde ook aan de eisen van een tragedie. Immers, het aanvankelijke optimisme over het welslagen van de operatie in Uruzgan was geleidelijk verdwenen. De Talibaan bleken sterker – en werden steeds sterker – dan was vermoed. Daarmee kwam ook de humanitaire kant van de missie steeds meer in het gedrang.

Trouwens, ook over het succes van het opbouwwerk, dat als complement van de militaire taak werd gezien (waarmee deze intern-politiek kon worden ‘verkocht’) rees steeds meer twijfel. In elk geval toonden de Afghanen weinig dankbaarheid en ook weinig zorg voor het gebodene. Ja, het was duidelijk dat zij de Nederlanders, ondanks hun goede wil, toch als vreemden beschouwden, die op een goed ogenblik zouden weggaan, en de Talibaan, hoewel fanatici, toch als eigen mensen en mogelijk winnaars. Zoals overal, kijkt de meerderheid de kat uit de boom. Die les hadden we in Indonesië moeten hebben geleerd.

De socioloog J. A. A. van Doorn schreef op 5 april in zijn wekelijkse column in Trouw een opmerkelijke beschouwing hierover, waarvan de conclusie was dat wat Nederland in Uruzgan wil bereiken, „menige kolonisator zelfs na een eeuw inspanning niet is gelukt”. „De cruciale fout van Nederland bestond in de verwachting dat men met goede werken de hearts and minds van de bevolking kon winnen en tegelijk de invloed van de taliban kon uitschakelen. Men verwachtte dankbaarheid en medewerking en men oogst vooral opportunisme en passiviteit.”

Toch is dit niet het ogenblik om weg te trekken uit Afghanistan. De wereld zou dit dan onmiddellijk in verband brengen met de dood van de zoon van de legercommandant. Hij zelf zou de laatste zijn om nu terugtocht te bepleiten. Dit kan slechts overwogen worden als onderdeel van een algehele overeenkomst, die ook de andere aan de operatie deelnemende landen omvat. Met andere woorden: Nederland kan voorlopig niet met goed fatsoen Afghanistan verlaten, ook al moet het de mogelijkheid van een totale mislukking onder ogen zien.

Dat deze mogelijkheid geen hersenschim is, werd in NRC Handelsblad van 22 april op grond van demografische gegevens, bijna mathematisch aangetoond in het artikel van Gunnar Heinsohn op deze pagina.

Wilt u reageren?Schrijf de auteur via dezerdagen@nrc.nl Of neem deel aan de onlinediscussie op nrc.nl/heldring