Freddie

Hannie Schaft werd beroemd, Truus Menger-Oversteegen bekend en Freddie Dekker-Oversteegen bleef anoniem. Daarom gaat dit stukje vooral over Freddie. Ik stuitte op haar naam bij de tentoonstelling Drie meiden in verzet in het Verzetsmuseum in Amsterdam.

Freddie vertelde na de oorlog weinig over het verzet, ze liet het liever aan haar twee jaar oudere zus Truus over, die meer bravoure heeft. Op foto’s uit die tijd is zij ook echt de jongste, een tenger, donker meisje met een mooi, in zichzelf gekeerd gezicht.

Het levensverhaal van deze Haarlemse zusjes blijft onvoorstelbaar. Ze werden opgevoed door een gescheiden, communistische moeder. Truus was zeventien, Freddie vijftien toen ze in 1940 bij het verzet kwamen. Op de tentoonstelling ligt een boek dat Truus in 1946 voor sinterklaas aan haar zusje gaf. Het heet En het staal werd gehard en het was geschreven door de communist N. Ostrovski. Als opdracht zette Truus erin: „Omdat wij idealisten zijn, zullen wij offers moeten brengen, maar eenmaal zal de overwinning ons zijn.”

Ze hadden al heel wat verzetswerk achter de rug toen ze in 1943 Hannie Schaft leerden kennen en met haar gingen samenwerken. „Ik was wel jaloers”, herinnerde Freddie zich later, „ik dacht wat moet die er nou bij. We waren zo’n eenheid, mijn zus en ik (…) maar al gauw zag ik wat een fijne meid het was. Ze was een echte verzetsvrouw. Het was een lieverd ook, zachtaardig, maar zeer moedig en zeer fel anti-fascistisch.”

Truus en Hannie deden het meeste ‘grove’ werk – sabotage, liquidaties –, Freddie moest ook soms schieten, maar verzamelde vooral inlichtingen en stond op de uitkijk. Ze droeg vaak vlechtjes om er nog jonger (en dus onschuldiger) uit te zien dan ze was. Ze was de eerste van de meisjes die bij een liquidatie van een overgelopen verzetsman betrokken werd.

Ze keerden eens ontredderd terug naar hun onderduikadres na afloop van een mislukte sabotageactie. In haar boek Toen niet nu niet nooit uit 1982 schreef Truus Menger: „Freddie troostte ons. Toen we een beetje gekalmeerd waren, zag ik plotseling mijn kleine zus. Een wit smoeltje, grote ogen, donker van verdriet en ongekende angst. „Kom maar”, zei ik en trok haar naar me toe. „O Truus, ik was zo bang. Er was een hond en een man en die hond heeft aan me gesnuffeld.” Ze trilde nog van angst. „En toen hoorde ik die moffen en jullie kwamen maar niet…”

Truus schreef dat ze de opdracht hadden gekregen de kinderen van rijkscommissaris Seyss-Inquart te ontvoeren. Zij en Hannie aarzelden, maar Freddie weigerde meteen. „Kinderen betrekken we niet in onze strijd”, zei ze. En: „Wie gaat die kinderen dan doodschieten?”

Anekdotes die nooit sterven. Net als die laatste zin van Hannie Schaft tegen het aanvankelijk falende executiepeloton voor haar: „Ik schiet beter.”

Voor Truus en Freddie ging het leven heel wat gewoner door. Truus werd een bekende beeldhouwer, Freddie vertoonde tekenen van desillusie. Ze zag in Velsen foute mannen in de top van de politie blijven (de ‘Velser Affaire’) en protesteerde tevergeefs.

Bij de opening van de tentoonstelling waren ze – Truus 84, Freddie 82 – beiden aanwezig. Freddie zei niet zoveel, las ik ergens. Dat had ik wel verwacht van de vrouw die zei: „Een schot lossen is makkelijk, maar als je dan iemand ziet vallen, dat blijft je altijd bij.”