Arme Nederlander blijft steeds langer arm

In een moderne samenleving zou armoede altijd maar tijdelijk zijn, aldus een invloedrijke sociologische theorie. Niets blijkt minder waar. En het wordt alleen maar erger.

Peter Achterberg Foto Floren van Olden Rotterdam 22-4-2008 Portret Peter Achterberg Erasmus universiteit socioloog sociologie. Foto Floren van Olden
Peter Achterberg Foto Floren van Olden Rotterdam 22-4-2008 Portret Peter Achterberg Erasmus universiteit socioloog sociologie. Foto Floren van Olden Olden, Floren van

Individualisering is hét kenmerk van de laatmoderne, Westerse samenleving. Zeggen invloedrijke sociologen als de Duitser Ulrich Beck en zijn Britse collega Anthony Giddens. Dat proces zou zelfs zó ingrijpend zijn dat werkloosheid en armoede steeds minder vaste kenmerken zijn van bepaalde groepen. Mensen uit heel uiteenlopende milieus zouden wel eens arm zijn. Maar zelden voor lang.

De Rotterdamse sociologen Peter Achterberg en Erik Snel gingen na of armoede écht ‘democratiseert’ en ‘vertijdelijkt’. Daarvoor onderzochten zij 5.000 Nederlandse huishoudens in de jaren 1984-2000. Zij concluderen in het tijdschrift Sociologie: arme Nederlanders blijven steeds langer arm en dat lot treft vooral laag opgeleiden en, in mindere mate, vrouwen en jongeren. In de onderzochte periode is het percentage mensen dat minstens drie jaar arm was gestegen van 0,8 naar 5,5 procent. In 1984 was van de groep armen 40 procent drie jaar of langer arm; in 2001 gold dat voor 60 procent. Niks vertijdelijking: armoede wordt steeds meer een duurzaam verschijnsel. En niks democratisering: er ontstaat een onderklasse die niet of nauwelijks aan zijn armoede weet te ontsnappen.

„Wij waren al sceptisch”, zegt Achterberg in een telefonische toelichting. „Sociologen krabben zich achter de oren als iemand beweert dat alles vluchtig en tijdelijk wordt. Bovendien zijn er ook andere ideeën over sociale verandering, zoals de meritocratiseringstheorie.” Die zegt dat bij de verdeling van maatschappelijke posities verworven kenmerken, zoals kennis en vaardigheden opgedaan in onderwijs, een belangrijker rol gaan spelen dan toegeschreven kenmerken, zoals afkomst en milieu. „Doorredenerend,” zegt Achterberg, „verwacht je dat er op den duur een onderklasse ontstaat van mensen met weinig scholing. Wij besloten dit eens te onderzoeken.”

Er bleek geen verandering op te treden in de omvang van tijdelijke armoede, terwijl de duurzame, blijvende armoede fors toenam. De nu gepubliceerde onderzoeksresultaten zijn dus in strijd met de theorie van Beck en Giddens dat het voor de kans om in armoede te vervallen niet uitmaakt wie of wat je bent. Juist mensen met weinig schoolopleiding, vrouwen en jongeren blijken het grootste risico te lopen. Toch zijn de bevindingen óók in strijd met de meritocratiseringstheorie. Want dan zouden geslacht en leeftijd niet uit moeten maken. Volgens de onderzoekers zijn de meeste arme vrouwen alleenstaand of hoofd van eenoudergezinnen. Dat wordt wel toegeschreven aan een bepaald aspect van individualisering: meer echtscheidingen. Veel alleenstaande moeders blijven arm omdat ze vanwege hun zorgtaken alleen een parttime baan kunnen nemen.

Achterberg: „De onderklasse van langdurig armen bestaat vooral uit twee groepen: mensen die leven van een uitkering en werkenden. Deze werkende armen slagen er niet in hogerop te komen en zo aan hun armoede te ontsnappen. Het gaat om laag of ongeschoold werk, dat in veel gevallen neerkomt op een dead end job.”

lees het onderzoek op http://www.peterachterberg.com/Research.html