Pool

In een stil straatje in de Jordaan hoorde ik opeens een man aan de overkant luid in zichzelf praten.

Nu is dit geen ongewoon verschijnsel in de Amsterdamse binnenstad. Soms krijg je zelfs de indruk dat daar ergens op een geheime plek een reusachtige psychiatrische inrichting staat waarvan de directie de deuren af en toe wagenwijd openzet „om even flink door te luchten”, zoals mijn moeder dat noemde. Dan waaien er wat mompelende psychoten naar buiten, die als pluisjes op de wind meegevoerd worden in de richting van de stad.

Maar met deze man, een dertiger met dunnend zwart haar en gekleed in een sjofel jack en een donkere broek, was meer aan de hand. Hij sprak geen Nederlands, maar Pools. Een vertaling kan ik er dan ook niet bij leveren, maar het was duidelijk dat de strekking van zijn woorden uiterst somber was.

Op verwijtende, agressieve toon riep hij onverstaanbare dingen naar enkele wandelaars en fietsers, die hem volledig negeerden, zoals te doen gebruikelijk in de grotemensenstad. Wat moet je ook terugzeggen?

Als om zijn bedoelingen te verduidelijken maakte hij veel gebaren. Een terugkerend gebaar was het om elkaar heendraaien van de handen, zoals je voetbalcoaches ziet doen als ze spelers moeten wisselen. Meteen daarop volgde de opgestoken middelvinger, ook bekend uit de voetballerij. Halverwege een straat belde hij opeens ergens aan, alsof er een goede bekende woonde met wie hij een afspraak had. Maar er werd niet opengedaan.

Hij vervolgde zijn nogal slingerende tocht, af en toe iets brullend naar een verschrikt opkijkende zonnende vrouw voor haar huis of een vuurtje vragend aan een rokend winkelmeisje op de stoep.

Zoals hij daar liep, gemeden en gevreesd en gevangen in zijn ondoordringbare taal, was hij een levend symbool van de ultieme eenzaamheid, een verstoteling van een maatschappij die geen raad wist met zulke gevallen.

Hoe kwam hij hier en, vooral, hoe ziek was hij al voordat hij uit zijn geboorteland wegging? Hij moest een van die 200.000 werkzoekende Polen in Nederland zijn aan wie Jan Marijnissen zo’n hekel heeft omdat ze ‘onze banen’ inpikken. De meesten zijn keiharde werkers die voor een schappelijk bedrag en in no time je huis verbouwen. Ze leven vaak onder beroerde omstandigheden, maar die Hollandse goudader laten ze zich niet afnemen.

Af en toe valt er iemand af, omdat hij het niet meer aankan en omdat hij misschien toch al een beetje vreemd in zijn hoofd was. Zoiets moest er met deze Pool zijn gebeurd. Zijn maten hadden geen tijd om zich om hem te bekommeren, hij was trouwens opeens zomaar wég. Waar naartoe? Vandaag naar het Leidseplein, zag ik, voor ik hem uit het oog verloor.

Ik moest denken aan die andere psychotische zwerver die ik een poosje geleden bij de Passage in Den Haag zag. Ik noemde hem voor mezelf ‘de obsceniteitenman’ omdat hij voortdurend obsceniteiten naar voorbijgangers schreeuwde. Ze hadden zeker weer een potje geneukt? Ja, dat zou wel met al die pikken en kutten, hé dame, mag ik jou effe beffe?

Gegijzeld door zijn seksuele obsessie stond hij wel een half uur te tieren en te razen. Dat doet hij hier veel vaker, hoorde ik iemand zeggen.

Zouden we niet wat Polen kunnen bijscholen voor functies in onze geestelijke gezondheidszorg?