Er was eens...

Schrijfster Nicolien Mizee geeft een cursus verhalen schrijven aan de Volksuniversiteit. Ze laat zich inspireren door het werk van haar leerlingen. Vandaag over het schrijven van sprookjes.

„Vergeet alles wat ik jullie geleerd heb”, zeg ik. „Vergeet alle psychologie, elke onderbouwing, elke nuance. Vandaag gaan we het over sprookjes hebben en daarin gelden heel andere wetten. Kennen jullie de klassieke sprookjes? Wie kent hier bijvoorbeeld het sprookje van Vrouw Holle?”

Mevrouw Scheepmaker steekt een voorzichtige vinger op, maar als ze ziet dat ze de enige is, trekt ze hem ijlings terug.

„Vertel het maar, To”, zeg ik bemoedigend. We mogen mevrouw Scheepmaker To noemen, en dat doen we ook, maar ze is zo oud, doorgroefd en zorgelijk, dat het ons moeite kost.

Met neergeslagen ogen en zachte stem begint ze te vertellen.

„Merken jullie hoe onlogisch dit verhaal is?” vraag ik als To is uitverteld. „Dat meisje valt in een put maar ze komt uit in de hemel. En aan het slot loopt ze door een poortje en is ze weer thuis. Maar zelfs jullie, als grote mensen, zien er niets vreemds in. Jullie herkennen instinctief de wetten van het sprookje. De dingen zijn gewoon zoals ze zijn. Ze hebben hun eigen logica.”

Ik deel ansichtkaarten uit. „Laat je inspireren en schrijf een sprookje in sprookjesstijl”, zeg ik.

To krijgt een foto van een fruitschaal. „Jij hebt een moeilijke”, zeg ik. „Kijk maar gewoon hoe ver je komt.”

Dat zeg ik elke week. Soms priegelt ze een paar woordjes neer, die ze daarna weer doorstreept.

Martha moet als eerste voorlezen. „Er was eens een vrouw die problemen had met haar man. Hij wilde nooit eens iets in het huishouden doen. De vrouw werd er erg bedroefd van, hoewel ze toch ook wel van hem hield.”

Typisch Martha, denk ik. Die weet zelfs van een sprookje nog een relatiedrama te maken. En zo is elke leerling toch weer herkenbaar in zijn vertelling.

„En To, is het gelukt?” vraag ik ten slotte.

Tot onze verrassing knikt ze.

Ze toont de kaart van de fruitschaal en leest voor: „Een fruitteler stuurde zijn oudste zoon op pad. Hij gaf hem een appel, een peer en een perzik mee. De jongen ging op weg. De krekels tjirpten, hij floot een zelf verzonnen wijsje en het fruit in zijn mandje geurde. Na een tijdje zag hij een meisje met een kudde geiten. Hij bood haar de perzik aan. Een oude man die aan de kant van de weg een boek zat te lezen, kreeg de peer. De jongen had dorst. De appel glom hem toe. Hij at hem zelf op en keerde huiswaarts. Toen hij thuiskwam, zaten er twee mensen bij zijn vader op het bankje voor het huis. ‘Haar gaf je de perzik’, zei de vader, en hij wees naar het lieve meisje. Ze zal je vreugde zijn in warme nachten en je veel kinderen geven. De peer gaf je deze man met het boek. Hij zal je kinderen onderwijzen en hen inspireren. Maar jullie leven zal niet gemakkelijk zijn. Omdat je de appel zelf hebt opgegeten, zullen jullie eeuwig dorst hebben.” To zwijgt.

Een moment zijn we sprakeloos. Dan beginnen we, als bij afspraak, allemaal te klappen.