Veel mag, maar onnodig beledigen niet

Vrijheid van meningsuiting moet ook worden getoetst aan Europees recht. Dus behandelde de nieuwe Europese Kamer Strafrecht vijf zaken waarbij die vrijheid in het geding is.

Een bestuurslid van Gay Business Amsterdam (GBA) die terecht staat wegens het uitbrengen van een beledigend persbericht over een wethouder. Een man die op internet homo’s, joden en allochtonen zou hebben beledigd. Een journalist die foto’s maakt van een arrestatie en de agenten van racisme beschuldigt. Of een columnist die joden beledigd zou hebben in een weekblad van de Hogeschool Amsterdam.

De Europese Kamer Strafrecht van de Amsterdamse rechtbank behandelde gisteren vijf strafzaken waarbij de vrijheid van meningsuiting in het geding was en het Openbaar Ministerie tot vervolging had besloten.

De vijf zaken zouden normaal gesproken behandeld zijn door de politierechter, maar omdat vrijheid van meningsuiting niet alleen getoetst wordt aan het Nederlandse strafrecht, maar ook aan het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) werd besloten tot behandeling door de (meervoudige) Europese Kamer Strafrecht. Dat is een nieuw samenwerkingsverband van de rechtbanken van Amsterdam, Alkmaar en Haarlem, bedoeld om gebundeld zaken te behandelen waarbij Europees recht en met name het EVRM in het geding is.

Is bijvoorbeeld het uitbrengen van een persbericht waarin de voormalige Amsterdamse wethouder Frits Huffnagel ervan wordt beschuldigd dat hij in dronken staat een GBA-bestuurslid voor NSB’er heeft uitgemaakt en fysiek heeft bedreigd, strafbaar volgens het EVRM? Huffnagel zelf vond van wel, hij deed daar in augustus 2005 aangifte van. Vorig jaar augustus besloot de politierechter om het dossier over te dragen aan de Europese Kamer. Het Openbaar Ministerie legde de GBA’er smaad ten laste, ook al omdat Huffnagel er in het persbericht van werd beschuldigd vriendjespolitiek te hebben bedreven bij het verstrekken van vergunningen.

Het EVRM garandeert vrijheid van meningsuiting, aldus officier van justitie F. Posthumus gisteren. Maar datzelfde EVRM biedt ook de mogelijkheid om daar in nationale wetgeving grenzen aan te stellen. ‘In het belang van een democratische samenleving of voor de bescherming van de goede naam of rechten van derden.’ Achthonderd euro, was de eis, waarvan de helft voorwaardelijk.

De man die beledigende teksten publiceerde op de site Polinco (Politiek Incorrect), hoorde ook een geldboete (900 euro) tegen zich eisen. Daarbij ging het om beledigende teksten over onder meer joden, allochtonen en homo’s. In het maatschappelijke debat mag veel, zo betoogde Posthumus. Dat is ook vastgelegd in uitspraken van de Hoge Raad én het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Maar uitspraken mogen niet onnodig grievend of beledigend zijn. Daarover zijn in het Nederlandse strafrecht bepalingen opgenomen, met name over uitspraken die tot discriminatie opwekken. Posthumus vroeg niet alleen om een geldboete, maar ook om verbeurdverklaring van de computer van de verdachte omdat daarmee de strafbare feiten waren gepleegd.

Ook de journalist die vorig jaar augustus in Amsterdam getuige was van een arrestatie, daar met zijn mobieltje foto’s van maakte en vervolgens werd aangehouden, kan zich volgens Posthumus niet beroepen op het EVRM. Daarin wordt het recht op vrije nieuwsgaring weliswaar gegarandeerd, maar onder voorwaarden. De journalist was door de politie nadrukkelijk bevolen om afstand te houden en daar had hij geen gevolg aan gegeven. Bovendien had hij de politie beschuldigd van racistisch gedrag. Oorspronkelijk wilde Posthumus een voorwaardelijke boete van 110 euro eisen. Maar omdat de journalist ‘grote betrokkenheid’ bij de behandeling van zijn zaak had betoond, vroeg Posthumus om schuldigverklaring zonder oplegging van straf.

Tegen de columnist van Havana, het weekblad van de Hogeschool Amsterdam, eiste de officier 800 euro, waarvan 400 voorwaardelijk. De toenmalige columnist Arnold S. schreef in september 2006 onder meer: „Sinds de nazi-tijd is het niet echt cool om negatieve dingen te zeggen over joden, maar soms snap ik best hoe het in 1937 allemaal zo ver heeft kunnen komen”. Bij de eerdere behandeling van deze zaak, voor de politierechter, noemde het Openbaar Ministerie deze passage „onverdund antisemitisch”. Uitspraak op 2 juni.