Op naar een euro-noord: €N

In de schaduw van de Amerikaanse kredietcrisis ontwikkelt zich vrijwel ongemerkt de volgende schuldencrisis, maar nu binnen de eurozone, zegt Alfred Kleinknecht.

Tekening Ruben L. Oppenheimer
Tekening Ruben L. Oppenheimer Oppenheimer, Ruben L.

Sinds de introductie van de euro vertonen de eurolanden groeiende onevenwichtigheden in hun onderlinge handel. De Duitse exportmachine draait ook binnen de Eurozone op volle toeren. Duitsland had bij de invoering van de euro in 1999 nog een klein importoverschot, maar boekt intussen een exportoverschot ter grootte van 5,4 procent van het Bruto Binnenlands Product.

Dit exportsucces is leuk voor de Duitse economie, maar het exportoverschot van de een is uiteraard het importoverschot van anderen. Sinds de introductie van de euro bouwen vooral landen rond de Middellandse Zee opmerkelijke importoverschotten op.

Tussen 1999, het startjaar van de euro, en het jaar 2007 stegen de importoverschotten (als percentage van het Bruto Binnenlands Product) in een reeks landen vrij fors; bijvoorbeeld in Griekenland van 5,4 procent naar 9,7 procent, in Spanje van 2,9 procent naar 9,8 procent, of in Portugal van 8,5 procent naar 9,2 procent. Maar ook Frankrijk en Italië doen het niet geweldig, met importoverschotten van 1,6, respectievelijk 2,3 procent, terwijl deze landen in 1999 nog exportoverschotten hadden.

Importoverschotten bij goederen en diensten moeten worden vereffend met de verkoop van vermogenstitels, vooral van schuldtitels. De Duitsers lenen nu voortdurend geld uit waarmee andere landen hun exportgoederen kopen. Het is lastig om te voorspellen wanneer precies de schuldenberg ondraaglijk wordt. Maar dat dit gaat gebeuren, is al te zien. Mogelijk bent u deze column allang weer vergeten als het zover is.

Als landen ieder jaar opnieuw 5 tot 10 procent van hun Nationaal Product bij moeten lenen, is het aftellen hoe lang het duurt tot er narigheid ontstaat. Vroeger werd de Duitse exportdrift regelmatig afgeremd door een opwaardering van de Duitse mark of door een afwaardering van de peseta, de lire, etc. Met de komst van de euro is dit veiligheidsventiel uit het systeem gehaald en dit begint zich nu te wreken.

Een van de oorzaken achter het probleem is dat de Duitse vakbeweging door de hoge werkloosheid zwaar in het defensief zit. De ondernemers zijn de ooit zo machtige Duitse vakbeweging stevig aan het mangelen. Het resultaat is loonmatiging. Zet men de loonkosten (per eenheid product) in het jaar 2000 gelijk aan 100, dan stonden die in 2006 in de eurozone gemiddeld op 100,2. In Duitsland echter daalden de loonkosten in deze periode van 100 naar 92,3. Neem bij deze daling van de loonkosten nog de legendarische reputatie van ‘Made in Germany’, dan zou ik niet weten hoe de Duitse exportmachine binnen de eurozone nog te stoppen is. De schuldenopbouw die daarmee gepaard gaat wordt vroeger of later onhoudbaar, maar er is meer venijn. Door de forse importpenetratie uit Duitsland vertonen de landen rond de Middellandse Zee ook verschijnselen van deïndustrialisatie. Mensen beseffen in toenemende mate dat de groeiende import uit Duitsland hun inheemse werkgelegenheid afbreekt. Het is maar een kwestie van tijd totdat populisten in deze landen dit oppakken en er politiek garen bij spinnen. De harmonie in het Europese huis zal dit hoe dan ook geen goed doen.

Ik hoorde in 1997 tot een groep van 70 economen die de invoering van de euro afraadde. Wat ik als ondertekenaar van het manifest tegen de euro toen vreesde, dreigt nu uit te komen: De euro wordt een zware beproeving voor het proces van Europese eenwording. Mijn Duitse geschiedenis kennende, gaat me dit aan het hart. Wij hebben Europa heel hard nodig.

Wat zou men kunnen doen? Het enige wat ik kan verzinnen is een splitsing van de euro in twee munten: een ‘euro-noord’ voor de overschotlanden en een ‘euro-zuid’ voor de tekortlanden. Twee euro’s dus, met dien verstande dat de euro-zuid van tijd tot tijd mag worden afgewaardeerd. Zo hebben de armere landen in Zuid-Europa nog een kans om zich in de internationale handel te handhaven. Zo kan hun tendens tot deïndustrialisatie worden gestopt. En zo is er meer kans dat ons een Europese schuldencrisis – met alle politieke gevolgen van dien – bespaard blijft.

Eigenlijk hoort men bij instellingen als de Nederlandse of de Europese Centrale Bank over dit soort dingen serieus na te denken. Besturen is toch vooruitzien? Ik zie ze dit niet doen. De Amerikaanse schuldencrisis zagen de heren in de krijtstreeppakken ook al niet aankomen. Deze crisis zou men wel kunnen zien aankomen. Alles wat men daarvoor nodig heeft is een bul in de economie en een kijk in de exportstatistieken. Is het te veel gevraagd om de put nou eens te dempen voordat het kalf verdronken is?

Alfred Kleinknecht is hoogleraar economie van innovatie aan de TU Delft.