‘Nu maakt training weer het verschil’

Louis Delahaye is trainer van de Rabo-wielerploeg. Zijn inbreng is cruciaal, na de invoering van strenge dopingcontroles en nieuwe computerprogramma’s.

Trainer Louis Delahaye: „Over de hele breedte van de ploeg zijn we nog nooit zo sterk geweest.” Foto Cor Vos
Trainer Louis Delahaye: „Over de hele breedte van de ploeg zijn we nog nooit zo sterk geweest.” Foto Cor Vos Vos, Cor

Wie er ook verrast was met de uitstekende vijfde plaats van Thomas Dekker afgelopen zondag in de Amstel Goldrace, niet zijn trainer Louis Delahaye. Twee dagen voor de Limburgse klassieker tikte hij thuis op zijn laptop een toegangscode in, klikte op de naam van de renner en daar verscheen op het scherm elke trap die Dekker dit seizoen deed. „Kijk, hier zie je hoe hij reed in het Baskenland, de rit die Alberto Contador won.” Vermogen, hartslag, trapfrequentie, afstand, snelheid en nog een aantal functies en grafieken. „De cijfers zien er al drie maanden goed uit.”

Twee muisklikken verder toont de Limburgse trainer enthousiast de gegevens van de Duitse Rabo-renner Paul Martens in de laatste serieuze training vóór de Goldrace. „Een gemiddeld vermogen van 312 watt, dat is echt gruwelijk hoog en dat halen ze in wedstrijden bijna nooit. Er is dus keihard getraind.”

Delahaye, oud-bondscoach van de Nederlandse en Duitse triatleten en vanaf 1996 verbonden aan de Rabobank Wielerploegen, raakt niet uitverteld over het nieuwe computerprogramma dat hij dit seizoen introduceerde. Renners fietsten al langer met het Schoberer Rad Messetechnik-systeem (SRM), maar nieuw is dat alle gegevens worden opgeslagen op een speciale website, met toegang voor trainer en ploegleiders. Zelf kunnen de renners alleen in hun eigen gedeelte, niet bij dat van ploeggenoten. „Iedereen heeft uiteindelijk toch zijn eigen bv. Maar het mooie van het systeem is wel dat ze elkaar erover vertellen. Iedereen is enthousiast, kijkt naar records en zo. Vind ik mooi. Door dit soort ontwikkelingen is wielrennen echt een andere sport geworden.”

Hij kent de verhalen van vroeger. „Toen was het trainingsschema voor wielrenners simpel: de Omloop Het Volk begint 1 maart, zorg maar dat je dan goed bent.” Trainen betekende uren en kilometers maken. „Wij hadden niets om op terug te vallen. Andere sporten – zoals atletiek, schaatsen en zwemmen – konden tussentijden meten. Wij niet. En nu, met het SRM-systeem, liggen wij in één klap vóór op alle andere sporten. Er is geen enkele sport die elke seconde kan zien welk vermogen wordt geleverd. Elke trap, elk moment kun je in kaart brengen. Ik hoef als trainer iemand niet te zien om te weten hoe hard hij heeft getraind en wat dat voor zijn lijf betekent. Een file’tje is genoeg.”

Door de invoering van strenge dopingcontroles dit seizoen is de inbreng van de wielertrainer volgens Delahaye belangrijker dan ooit. „De stap die we nu hebben gemaakt – met het Adams-systeem waarbij renners hun whereabouts online moeten invullen – leidt ertoe dat mijn vak essentieel wordt. In het oude wielrennen konden trainers doen of verzinnen wat ze wilden, maar tegen sommige geniale artsen waren ze kansloos. Dat is gewoon gebeurd in het verleden. Nu maakt training weer het verschil. Dat is wel zo prettig.”

Niet dat bij Rabo sprake was van een abrupte breuk, toen Delahaye in 2006 door toenmalig directeur Theo de Rooij van de opleiding naar de profs werd overgeheveld. „Een van de redenen van ons hoge breedteniveau is dat wij over meerdere jaren heel gestructureerd bezig zijn. Geert Leinders [ploegarts en trainer, red.] heeft op dit gebied ook al veel gedaan. Vooral Michael Boogerd en Erik Dekker werkten intensief met zijn trainingsschema’s, maar hele volksstammen deden dat niet. Nu heb je een generatie die met mij is opgegroeid. Ze weten niet beter. En ik had het geluk dat mannen als Erik Dekker en Boogerd ook helemaal open stonden voor mij.”

Zijn entree verliep buiten het zicht van het grote publiek. „Mensen weten niet wat wij doen. Schaatscoaches als Peter Mueller en Gerard Kemkers zijn bekend van de televisie. Dat ben ik niet. Ik ben daar blij om. Bij het schaatsen gaat het bijna alleen nog daarover, de trainer is belangrijker dan de sporter. In het wielrennen heb ik een belangrijke bliksemafleider: de ploegleider. Die krijgt alle publiciteit. Prima, daardoor kan ik in alle rust doen wat ik wil. Het nadeel ervan is dat het vak trainer in onze sport wat onderbelicht is. Maar wat je bij schaatsers ziet doen wij ook hoor. Krachttraining in de meest verschillende vormen, rompstabiliteit, al dat soort dingen. Alleen vraagt niemand mij daarnaar. Dat is geen verwijt, deze sport zit zo in elkaar.”

Waar schaats- of atletiekcoaches vaak maar enkele sporters begeleiden, heeft Delahaye een groep van dertig renners. „Dat is te veel, er moet iemand bij komen. Je loopt steeds op de toppen van je tenen. Maar ik wil er alleen mensen bij die dezelfde instelling hebben als ik, niet eens per se dezelfde ideeën. Dit is wereldtopsport. Ik moet ook willen winnen, anders straal ik dat niet naar een renner uit. Van het maken van een trainingsschema raak ik niet overspannen. Wel van de energie die je in het contact met de renner stopt. En een goede trainer heeft de eigenschap om creatief te zijn. De mentale en psychologische kwaliteit is heel belangrijk, om een renner te overtuigen voor iets te kiezen. Dat kan alleen maar als ik zelf ook voor honderd procent voor die sport ga. Kemkers en Mueller zijn daar goede voorbeelden van.”

De ex-triatleet beschouwt zichzelf deels als autodidact, en studeerde daarnaast af als bewegingswetenschapper. „Ik was georiënteerd op de Duitse kant van het verhaal, ging één keer per jaar rondsnuffelen aan de Sporthochschule in Leipzig, in scripties waarin renners als Olaf Ludwig en Mario Kummer hun voorbereiding op de Olympische Spelen beschreven. De grote trainingswetenschappers komen uit Oost-Duitsland/Rusland, waar alles draaide om omvang, en uit Amerika, waar het ging om kwaliteit. Ze hadden allebei geen gelijk, mijn model zit ergens in het midden.”

De resultaten bewijzen volgens Delahaye dat de huidige aanpak loont. „Het gaat dit jaar heel erg goed. We hebben wel eens meer overwinningen gehad, maar zijn over de hele breedte van de ploeg nog nooit zo sterk geweest. Vergelijk de Ronde van het Baskenland nu met die van vorig jaar. Veel beter. Net als Parijs-Nice of de Ronde van Vlaanderen. Het grote publiek ziet ineens mooie uitslagen van Thomas Dekker, Robert Gesink of Bauke Mollema. Wij zien dat aankomen.”

Voorbeeld? „We hebben elk jaar een bepaalde controletraining, op trainingskamp op Mallorca in januari, zes keer zes minuten op een bepaalde klim. Ik dacht: als Robert Gesink vijftien watt meer levert dan vorig jaar, is dat grote winst. Wat blijkt? Hij rijdt veertig watt meer! Ik heb de apparatuur herijkt, maar daar lag het niet aan. Toen wist ik: die gaat in Californië een rit winnen en meespelen op de Mont Ventoux in Parijs-Nice.”

Gesink is volgens zijn trainer niet het enige supertalent. „Hij staat overal in de krant, dat hij een vermogen van 502 watt kan leveren. Ongehoord, dat is waar. Maar Joost Posthuma heeft 498 en Thomas Dekker met hetzelfde gewicht 495. We hebben een heel aantal unieke renners. En dat hoeft nog niet alles te zeggen. Dekker, Gesink en Mollema zijn misschien grotere talenten dan Boogerd. Maar de kunst van Boogie is dat hij aan het einde van zijn carrière echt kon zeggen dat hij nergens een halve procent heeft laten liggen. Dat is ook een belangrijk talent, dat was zijn supertalent.”

De inbreng van de trainer? „Ik analyseer wedstrijden en maak een indeling in specialisaties: ronderenner, Amstel- en Luik-specialist, klimmer, tijdrijder, keienrijder, sprinter. Zo probeer je voor elk van die groepen een programma in elkaar te steken. Het gecompliceerde is dat je binnen die groepen ook weer renners hebt met een aparte typologie. Dekker is een tijdrijder die kan klimmen, Gesink een klimmer die kan tijdrijden. We trainen niet op het klimmen, wel op sprinten en tijdrijden. Alleen bij iedere renner in andere verhoudingen. Een gruwelijk ingewikkeld spel, maar ook uitdagend.”

Delahaye overschat zijn eigen rol niet. „Ik ben als trainer een stuk gereedschap dat je als sporter moet gebruiken. De grote kwaliteit van de toppers is dat ze niet onnodig over de rand gaan. Dat is een samenspel van sporter en trainer. Je kunt wel wat plannen, maar je moet het ook doen. Dekker is daar goed in, Gesink ook. Vorig jaar schoot hij zich nog te vroeg af, voor het WK. Wilde hij in de aanloop per se vijf uur zwaar trainen. Daar lijdt een jongetje van twintig van. Een leerproces. Sommigen voelen dat perfect aan, zoals Freire. Anderen maken elke keer dezelfde fouten en leren het nooit.”