Domweg gelukkig in Venray

Overwerkt en depressief naar een provinciestadje afreizen en als een gelouterd mens terugkomen. Hoe dat zomaar kan weet Racha Peper niet. Wellicht zit er iets in de lucht; sprookjesdopamine of de levenslust van kostschoolmeisjes.

Illustratie Annemarie van Haeringen
Illustratie Annemarie van Haeringen Haeringen, Annemarie van

Het is – goddank – niet aan mij om levenslessen te verkondigen, maar stel dat ik er met het mes op de keel een zou moeten roepen, dan zou ik Bredero’s lijfspreuk ’t Kan verkeren van stal halen. Morgen kan alles anders zijn. Toegegeven: niet erg spectaculair. Maar af en toe ondervind ik die afgesleten waarheid weer eens aan den lijve en krijg dan, om er eindelijk eens van doordrongen te blijven, de neiging de tekst op een tegeltje aan de muur te spijkeren en als een gelouterd mens mijn stenig levenspad te vervolgen.

Op een zondagochtend begin april zit ik op een onguur vroeg tijdstip te chagrijnen in de trein naar Venray. Ik ben moe, overwerkt en depressief. Het is al weken achtereen koud en nat en gisteren is voor de vijfde of zesde keer in een jaar tijd mijn fiets gestolen, nadat ik de sleuteltjes in het slot heb laten zitten, dus ik moet kennelijk een snel oprukkende dementie onder ogen zien. Zou het schrijven van een laatste boek me nog vergund zijn? Half duttend, half lezend in de sombere briefwisseling tussen Reve en Hermans uit de benauwde jaren vijftig, vraag ik me af waarom ik in vredesnaam ingegaan ben op de uitnodiging voor een literaire zondagochtend in What The Fuck Is Venray! Laat ik eens ophouden met die flauwekul. Ik ben toch geen debutant meer!

Tussen de hazenslaapjes en het kwaadaardige gemiezer in valt me wel op dat het stralend zonnig is geworden en rond Arnhem (waar nog resten sneeuw van de afgelopen nacht liggen) berg ik de correspondentie tussen de twee mopperkonten weg en krijg ik zowaar een beetje lol in de lammetjes en de eendenkoppels in de weilanden.

In Nijmegen moet overgestapt worden op een treintje van vervoersmaatschappij Veolia – wat heel wat poëtischer klinkt dan NS – en ondanks mezelf voel ik me in het zonovergoten Noord-Limburgse landschap met de minuut milder worden. Als er in Venray een vrolijk zwaaiende vrouw op het (warme) perron staat te wachten, die voor de gezelligheid haar zus heeft meegebracht, glijdt het laatste restje chagrijn als een natte jas van me af. Maar het wordt nog erger. Wie kregelig wordt van positivistische stukjes (hekelen en schelden is altijd leuker), moet nu ophouden met lezen.

De literaire zondagochtend blijkt plaats te hebben in het theehuis van het Odapark. Dit theehuis hoort vanouds bij een klooster dat lange tijd als meisjespensionaat dienst gedaan heeft; tijdens een wandeling konden de jongedames zich hier laven. Het bos eromheen, compleet met zandverstuiving, is nu een beeldenpark. En geen kinderachtige beelden, zie ik bij aankomst: een keur aan prominente kunstenaars staat hier geraffineerd onder en tussen de bomen opgesteld. Het beginnende groen werpt muntstukjes zonlicht over de paden, zo betoverend dat ik meteen het bos zou willen inlopen, letterlijk en figuurlijk de Randstad achter me latend, maar dat gaat natuurlijk niet: er dient over literatuur gepraat te worden.

Dat geschiedt in een zaaltje waar drie grote boogramen uitzicht geven op de fantastische duiventillen van Aris de Bakker en het lentewoud erachter. De interviewer is een aardige, beschaafde man. Het publiek is aandachtig en lacht op de juiste momenten (ja, er valt nog wat te lachen ook). De zon blinkt onafgebroken door het lover. Na het gesprek en het voorlezen ploppen de wijnflessen open en word ik getrakteerd op levendige verhalen. Hoe in dit park de hoofdkip van kippenkunstenaar Koen Vanmechelen zoekgeraakt is en hoe het vroeger toeging in het kinderrijke gezin waarin de twee vrolijke zusters opgegroeid zijn.

Ik zak onderuit en amuseer me geweldig. Wat is het leven mooi in Venray! De cynicus in mij fluistert nog hatelijk dat dat door de wijn komt, door de plotselinge weersomslag, door alle welwillende aandacht, en dat een Amsterdamse stadsrat echt niet zou aarden in Noord-Limburg. Misschien ben ik wel manisch-depressief aan het worden, insinueert ze zelfs, dan verzeil je in zulke stemmingsuitersten. Maar ik hoor haar al niet meer. Ik wil mij subiet in Venray vestigen, liefst middenin het Odapark, aan die zandverstuiving. Er zit hier iets speciaals in de lucht: sprookjesdopamine, muizenissenverdrijver, negentiende-eeuwse kloostersereniteit, de tintelende levenslust van die kostschoolmeisjes – het doet er niet toe wat, maar het werkt.

Helaas brengen de twee zussen me, na een bloeiende magnoliaroute, weer terug naar de trein, waar ik op het perron nog wat nazonnebaad. Als het Veolia-treintje er – kittig en stipt – komt aanrijden, stapt er een kort meneertje, van top tot teen in een keurige, nieuwe regenjas geknoopt, op me af. Met een inwit, perkamenten gezicht, waarin ik de psychiatrische patiënt meen te herkennen die op deze mooie zondagmiddag helemaal alleen naar Nijmegen mag reizen, kijkt hij naar me op en vraagt: „Mevrouw, gaat deze trein naar het station?”

Het is lang geleden dat mij iets gevraagd werd wat ik met zoveel overtuiging kan bevestigen.

„Jazeker, naar het station”, zeg ik, en tevreden stappen we beiden in en rijden de idylle uit. Misschien mag ik er nog eens terugkomen.