De opperbevelhebber, de minister en wij

Er moeten commandanten der strijdkrachten geweest zijn vóór Dick Berlijn, maar die waren zo goed als onzichtbaar in de media. Zijn opvolger sinds vorige week, Peter van Uhm, had al besloten om het eerste half jaar in functie de publiciteit te mijden. Het is de vraag of hem die anonimiteit lang gegund zal blijven, nadat zijn eigen zoon in Uruzgan sneuvelde.

De keuze van luchtmachtgeneraal Berlijn om wel regelmatig op televisie te verschijnen kan te maken hebben gehad met amerikanisering van de samenleving of met het inzicht dat in tijden van directe deelname aan risicovolle gewapende conflicten ook strijdkrachten hun pr beter moeten verzorgen.

De scheidende hoogste militair liet zich zelfs nogal uitgebreid en vrijmoedig portretteren door de rubriek Tegenlicht (VPRO). De makers Edmond Hofland en Kees Brouwer volgden Berlijn geruime tijd van nabij. De gisteren uitgezonden reportage is in vele opzichten leerzaam. Een van de lessen is dat de open, moderne houding van Berlijn wel eens het belangrijkste verschil kan hebben uitgemaakt met zijn voorgangers, mogelijk ook met zijn opvolgers.

Communiceren zit Dick Berlijn in het bloed. We zien hem tussen de manschappen in Uruzgan uitleg geven over de incidenten met ‘eigen vuur’. Hij belooft een filmpje, en bij de geringste aarzeling of dat wel zal komen zegt hij: „Heb je een pen? Dan kun je nu mijn telefoonnummer opschrijven om me te bellen als je het niet te zien krijgt.”

Ook directe telefonische begeleiding van de nabestaanden van gesneuvelden blijkt tot zijn takenpakket te behoren. Zouden er veel landen zijn waarvan de opperbevelhebber zich zo toegankelijk opstelt, ook buiten de traditionele hiërarchie om?

Berlijn liet de camera toe tijdens het voorbereiden en opstellen van een verklaring, waarin hij de dood van twee militairen aankondigt. Nog meer onthullend is de scène waarin hij op de rug wordt gefilmd, recht tegenover minister van Defensie Eimert van Middelkoop (ChristenUnie). Tijdens de NAVO-conferentie in Noordwijk (2007) wordt de bewindsman geïnterviewd door de buitenlandse pers over zijn voortijdige bekendmaking dat Nederland voornemens is langer in Uruzgan te blijven. Van Middelkoop zegt de vraag niet te begrijpen en Berlijn schudt het hoofd. Dan zegt de minister in tweede instantie dat dit geen goede vraag is. Berlijn draait zich om naar de camera en trekt een grimas, die ontsteltenis lijkt uit te drukken.

Toen Berlijn nog een F16-piloot was, noemden zijn collega’s hem Quicky. Hij droeg zelfs een Q op zijn helm. Hij legt uit dat dit humor was, gebaseerd op zijn korte periodes van afwezigheid. Onder piloten wordt zoiets snel seksueel geduid, maar de waarheid was volgens Berlijn dat hij contracten moest tekenen voor de koop van een huis.

Snel van begrip is hij zeker. Berlijn realiseert zich het belang van een brede maatschappelijke steun voor de aanwezigheid in Afghanistan. Om een defensiebudget van acht miljard per jaar van de samenleving te vragen, heb je overtuigingskracht nodig. Wie goed kijkt ziet ook dat de commandant beseft dat zijn steun afbrokkelt en dat het door hem met verve gebrachte verhaal over opbouw en vredeswerk allengs minder strookt met de waarneembare realiteit te velde.

De problemen die zich daar nu voordoen zijn niet te wijten aan gedrag van militairen, zo lijkt de conclusie, maar aan een onrealistische politieke inschatting. De onervarenheid van de verantwoordelijke bewindsman maakt een en ander niet eenvoudiger.

Gisteren kreeg Van Middelkoop in het NOS Journaal de vraag wat we daar nu eigenlijk doen, in Uruzgan. Hij reageerde enigszins gepikeerd, verwijzend naar „herkenbaar westers ongeduld”. Het gaat er immers steeds beter. Die reactie lijkt op die van premier Balkenende rond het referendum over de Europese grondwet.

Politieke problemen liggen op het bordje van politici. Die zouden eens goed moeten kijken naar Dick Berlijn: een aardige vent, en nog capabel ook.