Altijd weer dat knagende spaarstemmetje

We hebben met z’n allen 239 miljard euro aan spaargeld op de bank staan.

Maar waarom sparen we eigenlijk als geld uitgeven zoveel leuker is?

Het liefst geef je alles zo snel mogelijk uit. Maar dan komt het. Dat stemmetje in je hoofd. ‘Je moet sparen voor slechte tijden of voor de toekomst’. Althans, dat zeggen ze.

Het is niet vreemd dat je geweten af en toe opspeelt na een grote uitgave. „De mens is de enige soort met een hersendeel dat als een soort ‘langetermijnplanner’ werkt”, zegt Henriëtte Prast. Zij is hoogleraar Persoonlijke Financiële Planning aan de Universiteit van Tilburg. Ze houdt zich als ‘emotie-econome’ bezig met de relatie tussen emoties en financiële beslissingen. „Mensen sparen om financiële problemen te voorkomen, voor hun pensioen, of omdat ze grote uitgaven verwachten.” Mensen kijken vooruit en weten dat het verstandiger is om geld opzij te zetten, maar een mens doet dit niet instinctief. „We hebben geen Knabbel en Babbel-instinct dat ons voorbereidt op de volgende winter”, zegt Prast.

Sparen is kort gezegd: een keuze, en dat is iets van deze tijd. Gerard Borst, onderzoeker Geldcultuur van het Geldmuseum in Utrecht doet onderzoek naar het ontstaan en de ontwikkeling van de spaarzin onder arbeiders vanaf eind negentiende eeuw tot 1973. De lonen stegen en sparen deed zijn intrede. Wie niks overhield, kon niks sparen, maar naarmate het salaris hoger werd, werd er ook meer gespaard. Toch ging dat in het begin nog niet altijd écht vrijwillig. Eind negentiende eeuw deden veel arbeiders mee in ziekenfondsen, begrafenisfondsen, of zogeheten ‘onderlinges’, een soort verzekeringsmaatschappijtjes die door arbeiders zelf werden beheerd. Samen spaarden de arbeiders op die manier voor slechtere tijden. De sociale controle was groot. „Als je nalatig was, kostte je dat je goede naam”, zegt Borst.

In de jaren twintig kwam de ‘Spaarbank voor de Stad Amsterdam’ met een spaarbusje. Wie wilde, kreeg zo’n busje mee naar huis, maar de sleutel bleef bij de bank. Er werd erg veel gebruik van gemaakt. „Het vertrouwen in de eigen spaardiscipline was er nog niet helemaal. Spaarders waren bang dat als ze zelf de beschikking hadden over de sleutel, ze het geld op zouden maken”, zegt Borst. De spaarbusjes voor volwassenen verdwenen na de Tweede Wereldoorlog, maar voor kinderen zijn ze nog lange tijd blijven bestaan.

Tegenwoordig is sparen vooral een zaak van eigen verantwoordelijkheid. We doen het schijnbaar niet slecht, want de spaargelden bij de Nederlandse banken groeien flink. In februari van dit jaar hadden we volgens het CBS met zijn allen 239 miljard euro op spaarrekeningen staan.

Toch is het groeiende spaarsaldo niet direct een teken dat we goede spaarders zijn. De groei wordt deels veroorzaakt door mensen die het onverwachts beter hebben en nog niet weten wat ze met het geld dat ze overhouden moeten doen, is de verklaring van Henriëtte Prast. „Lonen zijn gestegen, niet iedereen is snel gewend aan luxe en deze mensen sparen dat wat ze overhouden. Je ziet ook dat het consumentenvertrouwen is gedaald. Grote aankopen worden daarom uitgesteld. Mensen zijn wat zorgelijker geworden.”

Prast: „We hebben in ons hoofd spaarpotjes waarin we geld reserveren, maar dat wordt steeds moeilijker naarmate geld minder tastbaar is. Met internetbankieren haal je het geld zo van je rekening en kun je 24 uur per dag winkelen.” Terwijl iedereen er wel van doordrongen is dat sparen belangrijk is. „Maar ook als je weet wat goed voor je is, gedraag je je niet altijd zo. Dan moet je bepaalde mechanismen aanleren om niet toe te geven.”

Uit het onderzoek Goed geregeld, geldzaken nu en later, dat het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) vorig jaar heeft gedaan, blijkt dat 29 procent van de Nederlandse huishoudens helemaal niet spaart. Sommige mensen houden gewoonweg niets over om te sparen, maar voor velen is sparen ook gewoon heel erg moeilijk.

Om verleidingen te weerstaan is soms hulp van anderen nodig. Prast noemt het Amerikaanse voorbeeld waarbij mensen die van weinig moeten rondkomen hun maandsalaris niet in één keer, maar in twee keer krijgen uitbetaald. „Dat helpt, omdat ze niet de vrijheid hebben het in een keer uit te geven. Maar in Nederland hebben we maar weinig mogelijkheden om jezelf te dwingen tot meer sparen.”

De zogenaamde Hollandse zuinigheid is in ieder geval geen garantie voor spaarzaamheid, want Nederland wijkt wat sparen betreft niet af van andere landen. Die zuinigheid uit zich volgens Prast op een andere manier. „Nederlanders kopen liever veel goedkope dingen in plaats van één duur ding.”

Uit het Nibud-onderzoek blijkt dat 71 procent wél spaart en van hen doet 62 procent dat met een vast bedrag per maand. De meeste mensen sparen voor de korte termijn, maar niet altijd met een doel. „Dat zijn vaak mensen die iets overhouden en niet direct weten waarvoor ze het willen gebruiken”, zegt Gabriëlle Bettonville van het Nibud.

Bijna 40 procent spaart zonder te weten waarvoor. Van de sparende huishoudens legt 31 procent geld opzij voor grote aankopen, 23 procent voor het pensioen en 17 procent van de huishoudens spaart voor een vakantie. Gemiddeld wordt per huishouden zo’n 300 euro per maand gespaard.

Goede planners, mensen die gestructureerd leven en regelmatig een begroting maken, zijn doorgaans ook goede spaarders, zegt Bettonville. Als je dat niet bent, heb je wat dwang nodig. „De spaarloonregeling is bijvoorbeeld een gemakkelijke manier van sparen. Je spaargeld wordt direct van je loon ingehouden en je kunt er voor een bepaalde periode niet meer aankomen. Want juist het in handen krijgen van het geld, is voor veel mensen de valkuil.”

Voor wie wil weten wat hij kán sparen als hij alle verleidingen weet te weerstaan: kijk op Nibud.nl voor een persoonlijk budgetadvies