Succesverhaal is bron van frustratie

Theater Kroum, door RO Theater en KVS. Tekst: Hanoch Levin. Regie, decor en licht: Ruud Gielens. Gezien: 19/4 RO Theater, Rotterdam. Daar t/m 26/4; in Brussel van 29/4 t/m 4/5. Info: 010-4046888 en www.rotheater.nl.

Het decor van Kroum bestaat uit een reusachtige kast. Een open kast midden op het toneel met overal trappen en vakken. In die vakken huizen de personages, waarbij zij hun hoofden moeten intrekken om niet tegen de plafonds te stoten. Ja, de kast stelt een reeks woningen voor in een niet al te beste buurt.

Lawaai, stank en overbevolking verzuren er het leven en het verbaast dan ook niet dat de bewoners dromen van villa’s in de buitenlucht. Maar de middelen om hun dromen te verwezenlijken hebben ze niet en zo blijven ze waar ze zijn.

Dat klinkt nogal somber – en toch is Kroum van de Israëliër Hanoch Levin een sprankelend drama. Met geestige dialogen, malle situaties en knettergekke figuren die je niet gauw vergeet. Het ruim dertig jaar oude stuk heeft veel weg van een volkse komedie. Dat de reeds overleden auteur wel met Tsjechov wordt vergeleken komt door het eindeloze zelfbeklag van de hoofdpersonen.

Het verst daarin, onder regie van de Vlaming Ruud Gielens, gaat de hypochondrische Toegati. Al jaren worstelt hij met de vraag of hij nu ’s ochtends of ’s avonds moet gaan gymmen. De twijfel, samen met het verlangen naar medelijden, heeft hem ziek gemaakt – althans, in zijn geest. Het is gemeen van Levin dat hij deze ingebeelde zieke ècht ziek laat worden en nog laat sterven ook. En het is knap van acteur Lukas Smolders dat hij met deze belachelijke man toch sympathie wekt – door een alle ziektes trotserende vitaliteit.

In een co-productie van de Brusselse KVS en het Rotterdamse RO Theater zweept Gielens álle acteurs tot grootse prestaties op. Dynamiek, contact met de zaal en lichte overdrijving zijn de pijlers waarop hun spel berust.

LaHerman Gilis speelt Kroum, een bijna-veertiger die nog steeds bij zijn moeder woont. Met een achteloos uit zijn mondhoek bungelende sigaret hangt Kroum de stoere cynicus uit. Zijn vriendinnetje Troeda behandelt hij schofterig en de praatjes over de roman die hij wil schrijven klinken gratuit. Tussen zelfinzicht en zelfbedrog zwalken de analyses van zijn leven – zoals dit toneelstuk tussen optimisme en fatalisme zwalkt.

Want komt het gebrek aan liefde, levenskracht en succes van Kroum en de zijnen door de strontwijk waarin zij wonen? Of wonen zij in een strontwijk omdat ze niets beters verdienen? Levin voert één vrouw op die wèl aan de wijk is ontkomen. Maar in plaats van een voorbeeld is zij voor Kroum een bron van frustratie. Omdat zij hem scherper dan de anderen aan zijn mislukking herinnert. Als Levin met Kroum íets duidelijk maakt, dan is het wel dat mensen zichzelf klein houden, uit angst voor het onbekende. En dat ze elkáár klein houden, want grootheid vormt maar een bedreiging.

Zoveel kleinzieligheid bij elkaar is eerder dwaas dan tragisch. De komedievorm bereikt iets waar de figuren in Kroum alleen maar van kunnen dromen: ze loutert en verfrist.