Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Beeldende kunst

‘Veel Michelangelo’s zijn kopieën of vervalsingen’

Van Michelangelo is bijna de helft van de tekeningen niet echt. Dat beweren de auteurs van een Duitse bestandscatalogus. De Britse koningin houdt er maar tien over en Boijmans raakt ze alle drie kwijt.

Studie van een man (zwart krijt, 1504-1506). Links is volgens kenner Thomas Pöpper een kopie. Foto’s Teylers Museum
Studie van een man (zwart krijt, 1504-1506). Links is volgens kenner Thomas Pöpper een kopie. Foto’s Teylers Museum Teylers Museum

De helft van de tekeningen die vrij algemeen worden toegeschreven aan Michelangelo, is niet door hem gemaakt. Gerenommeerde prentenkabinetten, zoals die van het British Museum in Londen, of het Haarlemse Teylers Museum, zien hun bezit aan Michelangelo’s drastisch verkleinen. Dat beweert de nieuwste oeuvrecatalogus, waarvan binnenkort de Nederlandse vertaling verschijnt. Maar erkende experts, zoals Hugo Chapman van het British Museum en Carel van Tuyll van het Louvre, reageren sceptisch.

Honderd jaar geleden werden ongeveer 200 bladen toegeschreven aan Michelangelo (1475-1556). Verder onderzoek en nieuwe ontdekkingen leidden daarna tot een snelle groei. Enkele jaren geleden stond de teller op 870 (voor- en achterkanten van bladen apart geteld). Slechts de helft daarvan blijft over in de nieuwe monografie van drie Duitse kunsthistorici. Het grootst is de kaalslag onder de beroemde tekeningen in zwart of rood krijt van naakte figuren: schitterende studies van gespierde mannen en vrouwen in ingewikkelde poses. Hooguit 200 daarvan zouden eigenhandig zijn.

Het tekeningengedeelte is samengesteld door Thomas Pöpper, docent aan de universiteit van Leipzig. Hij verklaart het kleine aantal uit Michelangelo’s omgang met dergelijk materiaal. Kunstenaarsbiograaf Vasari, die persoonlijk met hem bevriend was, vermeldt al in 1568 dat Michelangelo tekeningen verbrandde. Hij wilde niet dat anderen zijn minder geslaagde werk onder ogen kregen, omdat hij vreesde daardoor minder dan perfect te lijken. Daarom zouden veel Michelangelo’s in werkelijkheid atelierwerken zijn, kopieën, of zelf vervalsingen.

Als Pöpper, die niet bereikbaar was voor commentaar, gelijk heeft zouden er van de 35 Michelangelo’s van koningin Elizabeth maar tien overblijven. En het British Museum in Londen zou zijn prachtige collectie van 130 Michelangelo’s zien slinken tot vijftig.

Ook voor Nederland heeft Pöpper slecht nieuws, al maakt dat weinig indruk op de verantwoordelijke conservatoren. Hij verwerpt alle drie de tekeningen in Museum Boijmans Van Beuningen. „Ik heb de bladen nog kort geleden, samen met de Britse expert Paul Joannides, intensief bestudeerd”, zegt Albert Elen, senior conservator tekeningen en prenten bij het Rotterdamse museum. „En ik zie geen reden ze niet in mijn nieuwe bestandscatalogus op te nemen.”

Ook de twee traditioneel aan Michelangelo toegeschreven tekeningen in het Amsterdamse Rijksprentenkabinet gaan voor de bijl. „Ik kijk daar niet zo van op”, zegt hoofdconservator Ger Luijten. „Deze bladen zijn al wel vaker in en uit het oeuvre gegaan. Mij interesseert vooral de argumentatie.”

En daaraan ontbreekt het nu juist bij Pöpper.

„Ik kan het tekeningengedeelte in de monografie niet serieus nemen”, zegt Michiel Plomp. Als hoofdconservator kunstcollecties van het Teylers Museum wordt hij geconfronteerd met de afschrijving van 35 van de 47 voor- en achterkanten van bladen die nog in 2000 als echte Michelangelo’s zijn gepubliceerd. „Vooral de opmerking dat het aan ruimte ontbreekt voor gedetailleerde discussies over afzonderlijke tekeningen, is verbazingwekkend in een monumentaal boek van bijna 800 bladzijden”. Over waarom bepaalde bladen als eigenhandig worden beschouwd wordt weinig gezegd; over de achtergrond van afschrijvingen blijft het helemaal gissen.

Carel van Tuyll van Serooskerken, hoofdconservator tekeningen bij het Louvre en daarvoor werkzaam bij Teylers, relativeert het uitgangspunt dat er bijna geen tekeningen van de kunstenaar zijn overgeleverd. „Michelangelo mag dan veel van zijn eigen werk vernietigd hebben, toch moet er heel veel bewaard zijn gebleven. Ter voorbereiding van de figuren in zijn beeldhouwwerk en de drukbevolkte frescodecoraties in het Vaticaan moet hij, in de meer dan zestig jaar van zijn loopbaan, onvoorstelbaar veel hebben getekend.”

Hugo Chapman, conservator Italiaanse tekeningen in het British Museum en samensteller van de succesvolle expositie van Michelangelo-tekeningen in Haarlem in 2005, laakt Pöppers louter „esthetische benadering” van de bladen. Volgens Chapman wordt uit het oog verloren dat de oorspronkelijke functie van een tekening (eerste schets, anatomische studie, compositietekening) van invloed kan zijn op de stijl. „Als verondersteld moet worden dat tekeningen die niet aan de allerhoogste eisen voldoen, van de hand zijn van Michelangelo’s leerlingen, worden artistieke pygmeeën getransformeerd tot verbijsterend goede tekenaars, verantwoordelijk voor bladen die de standaard net niet halen.”

De door Pöpper afgeschreven studies in onder meer Teylers die verband houden met de fresco’s in de Sixtijnse kapel zijn volgens Chapman van een zo hoge kwaliteit dat het „waanzin” zou zijn te veronderstellen dat iemand anders ze zou hebben kunnen maken. „Een tekening als de Lybische Sibille kun je toch geen kopie noemen – het is een van de adembenemendste die ik ooit heb gezien.”

Chapman ergert zich er aan dat de auteurs van een boek dat is gemaakt voor een breed publiek, nergens eerlijk of dapper genoeg zijn te erkennen dat hun opinies ver af staan van die van de meeste andere experts. Dat is Carel van Tuyll met hem eens: „Gevreesd mag worden dat dit, relatief goedkope, boek voor een hele generatie kunstliefhebbers de canon gaat bepalen van wat Michelangelo’s werk is. Maar op tekeningengebied klopt er niet veel van.”

Michelangelo, 1475-1564. Complete Works (Taschen, 150 euro)