Het landbouwbeleid op de korrel genomen

Begin dit jaar kostte een ton ‘Thai B-grade’, de wereldwijde standaard voor rijst van middelkwaliteit, op de internationale markt zo’n 350 dollar. Afgelopen week piekte de prijs voor het eerst in de geschiedenis boven de 1.000 dollar. Deze verdrievoudiging in nog geen vier maanden tijd raakt het levensonderhoud van grote groepen mensen. Rijst is de basis van het menu voor de helft van de wereldbevolking.

Sinds enkele weken zijn de toch al forse prijsstijgingen van voedingsmiddelen in een stroomversnelling geraakt. De redenen voor deze toename zijn inmiddels bekend: de groeiende welvaart in met name Azië stuwt de vraag naar voedsel op, en dan vooral die naar vlees, dat veel landbouwintensiever is dan granen of rijst. De kosten van brandstoffen en kunstmest voor boeren zijn in navolging van de energieprijzen flink hoger geworden. De teelt van gewassen voor biobrandstoffen verdringt de teelt voor de voedingsmarkt. Het is dus geen wonder dat de twijfel – onder meer in het Europees Parlement – over het gebruik van biobrandstoffen, dat bedoeld is om CO2-uitstoot te verminderen, toeneemt. Naast deze factoren heeft incidentele droogte de schaarste vergroot.

De fundamentele oorzaak van het verder stijgen van de prijzen is echter politiek. De traditionele industrielanden subsidiëren en beschermen van oudsher de landbouwsector. Dat gaat ten koste van de consument die vaak te veel betaalt voor zijn voedingsmiddelen, want de binnenlandse prijzen waren, en zijn, vaak hoger dan de prijzen op de wereldmarkt. In grote delen van (voorheen) de derde wereld is dat precies andersom. Op last van de overheid worden de voedselprijzen voor de bevolking laag gehouden, met tariefbeperkingen en subsidies. De subsidiëring van de consument is hier ten koste gegaan van de boer. Die heeft door de lage prijzen een onvoldoende prikkel om te investeren.

Het resultaat van het westerse beleid is een tendens naar overproductie, waar de geschiedenis van bijvoorbeeld de Europese Unie van doortrokken is. Het gevolg van het andere beleid is juist een neiging tot onderproductie. Veel opkomende landen in Azië, maar ook in Latijns-Amerika en het Midden-Oosten, combineren een sterk groeiende bevolking die steeds hoogwaardiger voedsel wil met een landbouwsector die achterblijft in productie, productiviteit en schaalgrootte. Zeker nu de kosten van de landbouw door de gestegen prijs van brandstof en kunstmest omhoog gaan, wordt het voor de boeren alleen maar onaantrekkelijker om te produceren tegen dezelfde lage prijs.

De recente maatregelen van grote voedsel exporterende landen als India, Oekraïne, Argentinië en Vietnam om de export te beperken of zelfs te stoppen, teneinde de voedselvoorziening in eigen land te waarborgen, zijn in dit licht extra destructief. De importeurs, zoals de Filippijnen en Bangladesh, moeten steeds hoger bieden op de wereldmarkt om zich te verzekeren van voedsel, en drijven zo de prijzen op. De landbouwsector in de exporterende landen verliest door de exportstop de laatste prikkel om de productie op te voeren. Het gevolg is dat er een kans ontstaat op nóg hogere prijzen in de toekomst.

De problematiek is complex. De verleiding om het oorspronkelijke Europese (en Amerikaanse) landbouwbeleid met terugwerkende kracht op het schild te hijsen, is groot. Maar niet vergeten moet worden dat ook hier sprake is geweest van een verstoring van de markt, die in het verleden veel niet-westerse boeren uit de markt heeft gedrukt. De wereld heeft een gemeenschappelijk kader nodig, waarvan een volledig vrije handel het fundament is. Land is er nog genoeg om de wereldbevolking van voedsel te voorzien. Voorwaarde is een vrij klimaat, waarin het zinvol én rendabel is om te produceren wat nodig is, waar het nodig is.