Hard omhoog, dus hard omlaag

Risico’s uit het verleden zijn geen garantie voor risico’s in de toekomst. Want de economische fundamenten zijn grondig veranderd. „Van schuldennaties zijn de opkomende landen veelal schuldeisende naties geworden.”

Daan van Lent

In de westerse wereld dreigt een recessie, de opkomende landen denderen door met hun economische groei. Simpele keuze toch om beleggingen te verschuiven van de westerse naar de opkomende markten?

Nee dus. Na jaren van hoge rendementen doen de beleggingsfondsen voor de opkomende markten het dit jaar slecht. Het is niet hun kredietcrisis, toch hebben de beurzen in Azië en andere opkomende continenten hardere klappen opgelopen dan de westerse beurzen. „Het is de bekende reactie”, zegt Freddy van Mulligen, hoofd research van Morningstar, een bureau dat beleggingsfondsen analyseert. „Wat het hardst omhoog gaat, gaat het hardst omlaag. De internationale beleggers gaan weer snel naar huis. Amerikanen hebben de neiging in tijden van tegenslag hun geld terug te halen naar de eigen markt, om het op een spaarrekening te zetten.”

Hoog rendement is hoog risico, luidt de les uit het verleden. Ook in de jaren negentig waren er allerlei Asian Tiger Funds en andere mooie beleggingsfondsen in opkomende markten die fantastische rendementen scoorden. Totdat de Aziëcrisis in 1997 losbarstte en de financiële markten daar instortten. Rusland en Latijns-Amerikaanse beurzen kregen hun eigen crisis, met grote beursklappen als gevolg. Beleggers leerden een hard lesje. Wie toen zijn vingers heeft gebrand, zal nu extra voorzichtig zijn.

Maar zijn risico’s uit het verleden een garantie voor risico’s in de toekomst? Nee, zeggen beheerders van beleggingsfondsen in opkomende markten overtuigd. „Het risico is veel minder dan in het verleden”, stelt fondsmanager Leon Eidelman van JP Morgan. „Van schuldennaties zijn de opkomende landen veelal schuldeisende naties geworden. De tweede generatie bedrijven is met binnenlands en niet met buitenlands geld gefinancierd. Ze zijn niet meer afhankelijk van enkele sectoren.”

De rendementen waren de afgelopen vijf jaar extreem hoog. Niet voor niets vergrootten veel wereldwijde beleggingsfondsen het aandeel van de opkomende markten in hun beleggingsportefeuille. Maar ondanks de gunstige economische prognoses lijken die rendementen in de opkomende markten niet meer haalbaar.

JP Morgan verwacht de komende jaren een gemiddeld rendement van 12 procent per jaar. Nog steeds hoger dan de historische rendementen van rond de 8 die voor westerse markten gelden en die met een dreigende recessie ook niet gehaald worden. Maar het is niet te vergelijken met de 31 procent die volgens de Amerikaanse zakenbank in de afgelopen vijf jaar is behaald.

Koploper in de afgelopen jaren zijn niet China en India, maar is verrassend genoeg Latijns-Amerika. Vooral dankzij Brazilië, en in mindere mate Mexico. „De waarderingen waren daar vijf jaar geleden onwaarschijnlijk laag”, zegt fondsmanager Will Landers van Black Rock. „Dus er was een achterstand in te halen. Brazilië heeft grondstoffen, landbouwproducten en investeert veel in de eigen industrie.”

Voor de komende jaren zou Latijns-Amerika wel eens veiliger beleggingsterritorium kunnen zijn dan de Aziatische landen. In China en India wordt al gewaarschuwd voor een zeepbel, omdat daar de koerswinst-verhoudingen hoog zijn, zelfs na de correctie van de afgelopen maanden. Landers: „In Latijns-Amerika hoef je absoluut niet te vrezen voor een zeepbel. De koerswinst-verhoudingen zijn in Brazilië nog steeds laag met 10 tot 12 procent, waar ze in China oplopen tot 40 procent. Bovendien kan Brazilië als exporteur van grondstoffen en voedsel profiteren van stijgende prijzen. Oliemaatschappij Petrobras groeit snel uit tot een van ’s werelds grootste oliemaatschappijen.”

Voor de belegger die risico’s niet schuwt en op zoek is naar hoge rendementen, groeien de mogelijkheden. Voorheen volgde het gros van de beleggingsfondsen voor opkomende markten de benchmarks. Maar nu zijn er allerlei beleggingsfondsen in opkomst die hun eigen strategie volgen of zich richten op niches.

Vorig jaar was er al een hausse aan Afrika-beleggingsfondsen. JP Morgan begint dit jaar met een beleggingsfonds in small caps in de opkomende landen. En Merrill Lynch geeft de mogelijkheid om te beleggen in wat het noemt ‘opkomende opkomende markten’. Met investeringen in onder meer Abu Dhabi, Kazachstan en Nigeria. „Deze hebben volgens ons onderzoek, anders dan China en India, geen correlatie met de westerse markten. Ze blijven goed presteren als het hier minder gaat. De kapitaalsbehoefte is groot”, zegt Alexi Ypsilanti.

En dan zijn er de grondstoffen, waarvan de prijzen door de sterk groeiende vraag uit landen als China of India sterk zijn gestegen. Of het nu de olie- , de goud- of de rijstprijs is geweest, record op record wordt gebroken. Net als voor platina of chroom. De mijnbouwbedrijven voeren er wel bij, net als de beleggingsfondsen die in ze investeerden.

Het aantal beleggingsfondsen is dan ook sterk toegenomen. Van Mulligen van Morningstar: „Het aantal mogelijkheden was vijf jaar geleden heel beperkt en is enorm toegenomen. Zo zijn er nu veel trackers in grondstoffenindexen.” (Voor trackers zie ook pagina 15)

Maar het lijkt een slecht tijdstip nu nog in te stappen. Analisten zijn voorzichtig en rekenen bij hun rendementen voor de mijnbouw-, olie- en agrarische bedrijven met prijzen die lager liggen dan op de huidige markten betaald worden. „Bizar”, noemt fondsmanager Ian Henderson van JP Morgan dat. „Zo zijn er analisten die bij hun berekeningen nog steeds uitgaan van een olieprijs van 60 dollar per vat. Krankzinnig. Hun prognoses zijn belachelijk pessimistisch.”

Henderson noemt het een „seismische verandering”, nu het besef doordringt dat „we niet op een eindeloos uitputbare planeet wonen”, zegt hij. „We hebben het afgelopen jaar prijsstijgingen gezien die niemand een jaar geleden had durven voorspellen. En de prijselasticiteit is verbazingwekkend. De stijgende prijzen hebben geen effect op de vraag.”

De prijzen van grondstoffen waren vijf jaar geleden gewoon te laag, meent Graham Birch van vermogensbeheerder Blackrock. „En het is bijna onmogelijk de productie snel te verhogen. Een mijn openen en daar alle machines voor geleverd krijgen duurt minimaal vier jaar. Het aanbod zal dus niet toenemen, de stijging in vraag zal zo blijven.”

Toch is er ook hier een angst voor een zeepbel. Hedgefondsen hebben zich, mede door de slechte aandelenmarkten, gestort op de grondstoffen en drijven daardoor de prijzen op. Dat leidt tot de angst dat, zeker als de particulieren zich als laatsten op deze markt gaan begeven, ook deze markten nog zullen instorten.

Birch is er niet bang voor, omdat de waarderingen van mijnbouwbedrijven nog steeds gemiddeld zijn. „Hedgefondsen moeten voorzichtig zijn met derivaten op grondstoffen. Bij andere effecten kun je met waardeloos papier blijven zitten, maar wat moet je als hedgefonds doen als je de prijs van rijst zo hoog opdrijft, dat je ermee blijft zitten terwijl je er er geen opslagruimte voor hebt? Die kijken wel uit.”

Dus kunnen grondstoffen dienen als veilige haven? Birch: „Je moet wel tegen hevige schommelingen in de prijzen kunnen, die voor veel beleggers te angstwekkend zijn. Het kan als je ze als een belegging ziet voor de lange termijn.”