Genoeg eten voor iedereen

Louise Fresco wantrouwt alarmerende uitspraken over de voedselcrisis. Wereldbank, IMF en de Britse premier Gordon Brown profileren zich er mooi mee, vreest ze. „De crisis is oplosbaar.”

‘Alsof het goed zou zijn als iedere boer zijn eigen gezellige bedrijfje heeft met een paar varkens en kippen’ Foto Vincent Mentzel Prof.Dr.Ir.Louise O. FRESCO (1952) Wetenschapper, bestuurder,auteur. foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Vlaardingen, 14 februari 2008
‘Alsof het goed zou zijn als iedere boer zijn eigen gezellige bedrijfje heeft met een paar varkens en kippen’ Foto Vincent Mentzel Prof.Dr.Ir.Louise O. FRESCO (1952) Wetenschapper, bestuurder,auteur. foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Vlaardingen, 14 februari 2008 Mentzel, Vincent

Tarwe, rijst, mais en soja zijn zo duur geworden dat er gewaarschuwd wordt voor hongersnood en oorlog. Dit is een gesprek met Louise Fresco (1952), die negen jaar adjunct-directeur generaal was bij de FAO, de voedsel- en landbouworganisatie van de Verenigde Naties. Nu is ze hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, met als leeropdracht duurzame ontwikkeling in internationaal perspectief.

Ze zegt: „Westerlingen merken nu in de supermarkt eindelijk weer eens dat goedkoop voedsel niet vanzelfsprekend is.”

Dat klinkt calvinistisch.

„Waarom calvinistisch? Het zit in elke religie om voedsel als iets heiligs te zien, iets dat níet vanzelfsprekend is.”

Moralistisch dan.

„Dat wel. Na de Tweede Wereldoorlog is voedsel voor ons een vanzelfsprekendheid geworden, iets waar niet meer over wordt nagedacht. Een belerend vingertje is best op zijn plaats.”

Waarom wordt er niet meer over nagedacht?

„Door de verstedelijking, onder andere, waardoor boeren onzichtbaar zijn geworden. En de productie van voedsel heeft lang een slecht imago gehad.”

Gehád?

„Dat imago is er eigenlijk nog steeds. En het is ook te verklaren. Het landbouwbeleid was er direct na de oorlog alleen maar op gericht om de voedselproductie te verhogen. Nooit meer honger. Het was een van de pijlers van de Europese eenwording. Het leidde in de jaren zeventig tot enorme overschotten, vervuiling en aantasting van de natuur, en daarna ook tot discussies over bio-industrie en biotechnologie. Maar de laatste jaren is de kentering begonnen, en op een onverwachte manier helpen de hoge voedselprijzen daarbij.”

Die zijn eigenlijk een zegen?

„Het kan nooit een zegen zijn als mensen er in andere delen van de wereld honger door lijden. Maar het is wel goed dat de onderstroom van mensen die zich bewuster worden van wat ze eten nu sterker wordt.”

U praat over een elite.

„Ja, zeker, en het is nog maar pril, maar de onderstroom is er. Die uit zich ook in zorgen om het landschap, om het verdwijnen van koeien uit de wei. Het besef dat voeding en gezondheid iets met elkaar te maken hebben groeit. Men begrijpt dat er een relatie is tussen voeding en obesitas, diabetes en kanker.”

Toch zullen veel mensen niet weten waar u het over heeft.

„Dat weet ik. Hier om de hoek in de Kalverstraat loopt iedereen te kauwen en de vuilnisbakken zijn overvol. Per gezin wordt er ieder jaar voor 150 euro aan consumeerbaar voedsel weggegooid. In de jaren vijftig besteedden we nog veertig procent van ons inkomen aan ons eten, nu is het net boven de tien procent. De landbouw is het slachtoffer geworden van zijn eigen succes. Hele generaties hebben geen idee meer waar melk vandaan komt of hoe appels groeien. Op televisie zien ze een boerenleven dat nooit bestaan heeft, met velden vol goudgele korenaren, sinaasappels die zo in het pak vruchtensap rollen en boeren die in het licht van de ondergaande zon tevreden naar hun schoongeboende koeien staan te kijken.”

Wat is daar erg aan?

„Alsof het goed zou zijn als iedere boer zijn eigen schaapskudde heeft, de appels met de hand plukt en zijn eigen gezellige en kleinschalige bedrijfje heeft met een paar varkens en kippen. Het is volkomen onrealistisch. Het gaat voorbij aan hoe vreselijk zwaar het traditionele landleven was. Ik begrijp de nostalgie wel, maar het is onmogelijk om op die manier de hele wereld van voldoende voedsel te voorzien.”

Kán het wel, voor zes miljard mensen genoeg eten produceren?

„Ja.”

Ook als het er straks negen miljard zijn?

„Daar ben ik optimistisch over. Behalve als er een ramp op wereldschaal gebeurt of er een wereldoorlog uitbreekt. Het kan ook zonder regenwouden te kappen of kwetsbare gebieden als de hellingen van de Himalaya te bebouwen. In grote delen van de wereld kunnen de opbrengsten van landbouwgrond twee tot drie keer omhoog door betere inzet van technologie. En door te voorkomen dat ratten de oogst aanvreten of dat die onderweg naar de steden bederft door onhygiënisch vervoer. Het grootste probleem is het gebrek aan arbeidskracht. Om één hectare rijst in te planten moet een boer 75.000 keer bukken, met zijn voeten in de modder. Jonge mensen hebben daar geen zin meer in. Die gaan liever hun geluk in de stad beproeven.”

Wat als Chinezen ook 300 kilo vlees per jaar gaan eten, net als Amerikanen?

„Ik verwacht niet dat de Chinezen dat gaan doen. In Wageningen hebben we uitgerekend dat met het huidige landbouwareaal veertig tot vijftig miljard mensen gevoed zouden kunnen worden. Maar dan krijgen ze alleen nog maar tarwe en bonen.”

Dat lukt nooit.

„Het is ook niet nodig. Maar de norm moet ook niet zijn dat Chinezen net zo veel vlees moeten kunnen eten als Amerikanen. Een belangrijke drijvende kracht achter de oplopende voedselprijzen is de prijs van veevoer, vooral voor kippen en varkens. Daarvoor worden de grondstoffen nu in enorme hoeveelheden van Zuid-Amerika naar China versleept.”

Wat kunnen we eraan doen?

„Je moet dat niet door overheidsingrijpen gaan tegenhouden, zoals nu gebeurt door exportrestricties. We moeten wel kijken of er internationaal afspraken kunnen worden gemaakt om de milieu-effecten te verminderen.”

Dat klinkt tamelijk machteloos.

„Maar het is niet onmogelijk. Net als bij het klimaat zegt China: waarom moeten wij wat doen als jullie zelf het probleem hebben veroorzaakt? Maar in China groeit ook het besef dat ongebreidelde consumptie niet de norm kan zijn, dat weet ik uit mijn contacten daar.”

Trekt de gemiddelde Chinees zich daar iets van aan? Die wil een auto, en vlees op zijn bord.

„China is geen democratisch geleid land en er is geen echte vrije markt. Dat kan in dit geval een voordeel zijn. Verder is het te simpel om te zeggen dat het altijd inefficiënter is om een kilo vlees te produceren dan een kilo groente of tarwe. Koeien eten in principe gras en dat groeit vaak op plaatsen waar niets anders kan groeien, bijvoorbeeld in Mongolië of Patagonië. Koeien concurreren niet met mensen om voedsel.”

Het probleem zijn varkens?

„En kippen en eenden. De productie daarvan groeit gigantisch in China. Maar er zal regulering komen, want mensen en dieren leven er zo dicht op elkaar dat er anders gemakkelijk ziektes kunnen ontstaan. China heeft relatief weinig landbouwgrond en weinig bewoonbare gebieden.”

Dan hebben we nog India.

„Nu is daar nog een grote groep mensen die vegetarisch is. Daarnaast zijn er moslims die geen varkensvlees eten. Maar het zal interessant zijn om te zien in hoeverre de consumptie daar ook Amerikaanse proporties zal gaan aannemen.”

De voedselprijzencrisis kan nog veel erger worden?

„Ik heb geen zin om nu ook te zeggen dat we op een ramp afstevenen, wat de Wereldbank en het IMF doen, aangevuurd door Gordon Brown (minister-president van Groot-Brittannië – red.). Ik maak me grote zorgen om de psychologische effecten van zulke uitspraken. Ze maken de onrust nog groter door te zeggen dat de wereldvrede wordt bedreigd. Ze spelen mensen die voordeel bij hoge voedselprijzen hebben in de kaart.”

Wie hebben voordeel?

„Speculanten. En er is heel veel geld beschikbaar, want door de crisis op de financiële markten gaat het nu niet naar banken en derivaten. De politieke onrust die nu wordt gecreëerd drijft de prijzen alleen maar op. En dat geeft voedselproducerende landen weer een excuus om hoge exportheffingen op te leggen, om de binnenlandse prijzen laag te houden. Daarmee wordt kunstmatige schaarste gecreëerd die het probleem nog erger maken.”

Maar Gordon Brown mag toch wel zeggen wat de risico’s van een voedselprijzencrisis zijn?

„Natuurlijk, en ik ben het er deels ook mee eens. Ik hoop alleen niet dat hij doorgaat met roepen dat de wereldvrede bedreigd wordt, want dan worden de risico’s vanzelf waarheid. Ik vrees dat hij er óók voordeel bij heeft, hij kan er zich mee profileren. Blair en Gore hadden het klimaat al gekaapt, en Blair had ook Afrika als thema. Voor het IMF en de Wereldbank komt de crisis ook goed uit, want wat is hun rol nog? Ontwikkelingslanden hebben zonder hen nu ook toegang tot financiële markten.”

Is er eigenlijk wel een crisis?

„Ja, maar die is niet onoplosbaar. De oorzaken zijn conjunctureel, niet structureel. Er treedt trouwens ook een vertekening op, doordat alle prijzen in dollars worden uitgedrukt. En waar begonnen de opstanden? In landen als Haïti, het meest tragische land op het westelijk halfrond. Een tekort aan voedsel is daar een logische aanleiding om aan allerlei andere woede lucht te geven. Daarbij zijn de voedselprijzen over de hele wereld vanaf de Tweede Wereldoorlog alleen maar gedaald, tot ze in 2000 op een historisch laagtepunt stonden. Het is niet zo vreemd dat de prijzen enigszins stijgen. Toen kwamen er een paar misoogsten in Australië, Zuid-Europa en in de Verenigde Staten, en in Europa werd er net goede landbouwgrond uit productie gehaald. En dan nog de stijgende olieprijzen, die troffen ook de landbouw.”

Is het een goed idee dat het IMF 500 miljoen dollar wil spenderen aan noodhulp in landen die lijden onder de hoge voedselprijzen?

„Wel als daarmee lokaal voedsel wordt gekocht, waardoor boeren gestimuleerd worden om meer te produceren. Niet als het gebruikt wordt om voedsel uit de Verenigde Staten te importeren. En ook niet als er niet geïnvesteerd wordt in innovatie.”

Wat moet er verder gebeuren?

„Goed land moet weer in productie worden genomen, en dat zal in Europa ook wel gebeuren. In Australië is vijf procent meer grond ingezaaid, omdat de regens gunstig zijn. Voedsel is geen olie die opraakt. De cyclus van verbouwen en oogsten begint twee keer per jaar opnieuw. Er is geen absoluut tekort, er is alleen een sterke afname van voorraden. En verder is voedsel geen handelswaar als tin of staal, het moet met respect omgeven worden. Jonge mensen moeten gestimuleerd worden om boer te worden, bijvoorbeeld door beurzen. In veel landen ontbreekt een financieel systeem waardoor boeren geld kunnen lenen en zich kunnen verzekeren tegen misoogsten. ”

In steden als New York en Amsterdam zijn winkels gekomen die producten van lokale boeren verkopen. Gaat u daarheen?

„Professioneel wel ja, en soms koop ik er ook.”

Draagt het bij aan een betere wereld?

„Ik ben een groot voorstander van bewust consumeren, maar de biologische en fair trade-beweging blijft erg klein, en is ook vaak gericht op een yuppenpubliek. Ik zou willen bepleiten dat er in Nederland een serieus voedselbeleid werd ontwikkeld.”

Hoe zou dat eruit moeten zien?

„Met alle partijen, dus ook de industrie en de supermarkten, in gesprek gaan over wat we produceren en consumeren op welke manier. Hoe kunnen consumenten worden aangezet tot bewuster koopgedrag.”

Nou?

„Uit de sociologie is bekend dat ander gedrag begint in de elite en dan naar beneden druppelt. En dat gebeurt al, Libelle en Margriet schrijven ook over bewust eten.”

Vooral over de romantiek ervan.

„Dat is dat toch al beter dan voedsel alleen maar zien als gebruiksproduct. Bij mensen met een allochtone achtergrond zie je trouwens ook veel meer respect voor voedsel.”

Obesitas zie je vooral bij kinderen met zo’n achtergrond.

„Dat is een aanpassingsprobleem, hun ouders zijn nog niet gewend aan een cultuur van welvaart.”

Maar het eetgedrag van mensen veranderen, dat lukt toch nooit?

„Dat is echt een misvatting. Wie had er vroeger nou rucola op zijn bord? Avocado’s? Kiwi’s? Die producten liggen nu allemaal bij de supermarkt, ook bij de goedkopere.”

En wie kopen die? Veel mensen eten nooit groente.

„Maar het patroon van ’s avonds om zes uur rond de aardappelen is er niet meer. Eetgedrag verandert voortdurend.”

Maar dan vooral zo dat het meer het Amerikaanse patroon van veel pizza’s en hamburgers wordt, de hele dag door.

„Ik kijk vaak op stations wat mensen eten en ik zie de laatste jaren dat het niet alleen meer cola en friet is. Ik zie ook mensen met flesjes vruchtensap lopen, of water. Is het glas halfvol of halfleeg? Ik zie dat het onderwerp voedsel steeds meer begint te leven. En dat zal tot verandering leiden.”

Hoe erg let u op uw eigen eten?

„Heel erg, maar niet dwangmatig. Ik ga zo naar een vergadering en dan neem ik een doos Spaanse bonbons mee. Thuis eet ik nooit vlees, dat doe ik al vanaf mijn achttiende niet meer. Maar bij diners eet ik het wel, om sociale redenen. Vis vind ik heel problematisch. Wild gevangen vis kan nauwelijks meer, en als je erbij stilstaat is het ook heel vreemd dat er op die manier nog vis wordt gevangen. Alsof we nog bessen en noten in het wild zouden zoeken. Visteelt leek een alternatief, maar vissen moeten worden gevoed met andere vissen en er zijn grote milieuproblemen. Het zou mogelijk moeten zijn om vis te telen op het land, in grote bassins, en ze te voeden met wormen en insecten. Ik heb het in Zeeland al gezien. Nog interessanter zou het zijn om een deel van de voedingsstoffen die we nodig hebben bijvoorbeeld uit algen te halen. Eiwitten en omega-vetzuren in vis komen uit die algen. Je zou die omweg via vis moeten kunnen overslaan.”

Weet u nog wat u wel en niet kunt kopen?

„Ik let goed op waar de producten vandaan komen. Dus ik koop nu geen blauwe bessen uit Australië en ik kies Nederlandse tomaten. Verder weet ik het soms ook niet meer.”

Wat is erger, honger of obesitas?

„Honger is een groter schandaal, want die hoeft er niet te zijn. Obesitas is er omdat we nog niet zijn aangepast aan een wereld van overvloed. We zijn 150.000 jaar lang geselecteerd op het zo snel mogelijk consumeren van zo veel mogelijk calorieën. Maar ik kan me voorstellen dat het over vijftig jaar net zo schandalig is om etend over straat te lopen als het nu is om in gezelschap een sigaret op te steken.”