Tijdens de winter van de ontevredenheid

Louis De Bernières: Een partizanendochter. Uit het Engels vertaald door Frans van der Wiel. De Arbeiderspers, 200 blz. € 17,95

Louis De Bernières maakt graag gebruik van historische episodes, om aan de hand daarvan een persoonlijke geschiedenis te schrijven. In zijn bekendste roman Kapitein Corelli’s mandoline situeerde hij een liefdesgeschiedenis op een Grieks eiland tijdens de Tweede Wereldoorlog en de Griekse burgeroorlog. Zijn voorlaatste roman Vogels zonder vleugels speelde zich af tijdens de opkomst van Atatürk en het Turkse nationalisme. In beide gevallen moest een ‘gewone’ man zich staande zien te houden tijdens veranderingen en vooral wreedheden. Een alternatieve geschiedschrijving dus, waarbij het accent ligt op geleend leed als materiaal.

In zijn nieuwe roman Een partizanendochter zoekt De Bernières het dichter bij huis. Het verhaal speelt zich af eind jaren zeventig in Londen, tijdens de ‘Winter of Discontent’ wanneer de vakbonden staken en Margaret Thatcher bijna premier is. Een interessante setting, zij het dat de gebeurtenissen slechts het decor vormen. In dit sombere Londen loopt de veertiger Chris rond, een man met een versleten huwelijk. Hoewel hij niet het type man is dat naar de hoeren gaat, zoals hij het zegt, spreekt hij een vreemde vrouw aan. Helaas, ze blijkt niet langer prostituee te zijn. Hij brengt haar naar huis en daarna zullen nog vele bezoeken volgen waarin deze Rosa over haar Joegoslavische verleden vertelt. Het wordt een verhaal over haar vader de partizaan die Tito bewondert, over seks met die vader, een studententijd vol discriminatie in Zagreb, een verloren liefde, een reis naar Engeland met een man die hitjes componeert, over werken in een nachtclub, verkrachting en een leven als prostituee in een krot waar de elektrische bedrading langs de bladderende muren slingert.

Het is kortom een tragisch verhaal, maar jammer genoeg komt het niet echt tot leven. Dat komt doordat Chris het verhaal vertelt wanneer hij terugkijkt op zijn bestaan. Zo nu en dan neemt Rosa het woord, maar hoe serieus je dat moet nemen is de vraag. Spreekt ze bij de eerste ontmoeting nog krom Engels (‘U wil me eerst in uw auto, toen u dacht dat ik slecht meisje ben. Eerst zei u niet tegen me niet in auto gaan stappen’), maar als ze zelf vertelt zijn de taalproblemen verdwenen. Dat is merkwaardig, ten eerste omdat ze wanneer ze Chris ontmoet al lang in Engeland woont, ten tweede omdat er nergens staat dat ze in de tussentijd een spoedcursus Engels heeft gevolgd.

In vorige romans was De Bernières nog de vakman die zich goed had ingelezen en dat graag, soms iets té graag, over het voetlicht wilde krijgen. Hier is hij een slordige, zelfingenomen schrijver. Wanneer bijvoorbeeld de regel ‘I can’t get no satisfaction’ ter sprake komt, stelt Chris: ‘Dat is krom taalgebruik. Het betekent in feite: ik kan niet anders dan de hele tijd bevredigd worden.’ Je ziet De Bernières tevreden achteroverleunen en genieten van zijn ‘vondst’.

Maar ergerlijker dan dergelijke wijsneuzigheid is dat De Bernières een treurig Servisch verleden heeft geleend, maar daar niets mee doet. Tito en partizanen zijn toevallige elementen in een verhaal over iemand die veel ongeluk heeft gehad. ‘Je weet van niemand iets meer dan wat ze je vertellen’, zegt een personage aan het slot. Dat is waar, maar áls je als je ze laat vertellen, leg ze dan mooie taal in de mond, of geef ze boeiende verhalen. Het is niet voldoende om ellende uit een andere tijd en plaats op te stapelen in de overtuiging dat je daarmee genoeg ingrediënten hebt voor een goed verhaal.

Louis De Bernières treedt op 25 april op op het Internationaal Literatuurfestival in Amsterdam. Aanvang 22 uur. OB Amsterdam, Oosterdokskade 143. Tel. 0205230801 www.slaa.nl